1. Inleiding: Wat is een contract?
Een contract is een wettelijk afdwingbare overeenkomst tussen twee of meer partijen. De wet dwingt niet elke belofte af – alleen die beloften die voldoen aan de criteria die zijn ontwikkeld door het common law en verfijnd door statuut. Het Engelse contractenrecht identificeert deze criteria, reguleert de inhoud van de overeenkomst en specificeert wat er gebeurt als de overeenkomst mislukt. Als u ze begrijpt, krijgt u toegang tot elke SQE1 FLK1-contractvraag.
Er zijn twee kenmerken die een contract onderscheiden van louter een belofte of sociale regeling. Ten eerste wordt er over een contract onderhandeld: elke partij geeft iets van waarde in ruil voor wat zij ontvangt (de doctrine van overweging, onderzocht in hoofdstuk 3). Ten tweede streven de partijen ernaar dat de overeenkomst juridisch bindend is** (intentie om juridische relaties tot stand te brengen, hoofdstuk 4). Zonder beide kenmerken beschouwt de wet de regeling als een sociaal of binnenlands begrip dat door het geweten wordt afgedwongen in plaats van door de rechtbanken.
De Engelse wet kent twee routes om een bindende verplichting te creëren: een eenvoudig contract (ondersteund door tegenprestatie) en een akte (afdwingbaar zonder tegenprestatie, op voorwaarde dat de formaliteiten van s.1 van de Law of Property (Miscellaneous Provisions) Act 1989 in acht worden genomen). Dit boek gaat over eenvoudige contracten, die bijna alle commerciële en consumententransacties omvatten en de basis vormen van de SQE1 FLK1-syllabus.
2. De essentie van een geldig eenvoudig contract
De SRA FLK1-specificatie groepeert de ingrediënten van contractvorming onder vijf rubrieken, die elk later in het boek in detail worden besproken. Ze kunnen als volgt worden samengevat: leg ze vanaf het begin in het geheugen.
1.2.1 Aanbod en aanvaarding (hoofdstuk 2)
Een contract komt tot stand wanneer de ene partij (de aanbieder) een duidelijk voorstel communiceert waaraan zij zich wil binden, en de andere partij (de gedoelde partij) dat voorstel accepteert op de voorwaarden. De aanvaarding moet normaal gesproken een afspiegeling zijn van het aanbod (de 'spiegelbeeld'-regel) en gecommuniceerd worden aan de aanbieder. Dit gebied is rijk aan op scenario's gebaseerde regels – uitnodiging tot traktatie, strijd tussen de formulieren, postregel, intrekking, tegenaanbod, verval en het onderscheid tussen unilaterale en bilaterale contracten.
1.2.2 Overweging (hoofdstuk 3)
Overweging is wat elke partij geeft, of belooft te geven, in ruil voor wat zij ontvangt. Het moet van de belofte afgaan, het moet voldoende zijn in de ogen van de wet (hoewel het niet adequaat hoeft te zijn), en het mag niet voorbij zijn. De doctrine van de “promissory estoppel” is een beperkte billijke kwalificatie op de regel dat een belofte om een gedeeltelijke aflossing van een schuld te aanvaarden niet afdwingbaar is.
1.2.3 Intentie om juridische relaties te creëren (hoofdstuk 4)
De rechtbanken gaan ervan uit dat commerciële overeenkomsten juridisch bindend zijn, en dat binnenlandse of sociale overeenkomsten dat niet zijn; elk vermoeden is weerlegbaar door bewijs van de bedoeling van de partijen. Deze doctrine voorkomt dat de rechtbanken worden betrokken bij de handhaving van familieregelingen en ereclausules, en beschermt partijen die werkelijk niet de bedoeling hadden een juridisch akkoord te sluiten.
1.2.4 Zekerheid van termen (hoofdstuk 5)
Een contract moet voldoende zeker en volledig zijn zodat een rechtbank er uitvoering aan kan geven. Overeenkomsten, vage voorwaarden en open-prijsclausules kunnen de afdwingbaarheid tenietdoen – hoewel de rechtbanken ernaar zullen streven een commerciële overeenkomst te redden overal waar de partijen duidelijk de bedoeling hadden gebonden te zijn (Wells v Devani [2019] UKSC 4). Zekerheid hangt nauw samen met formatie: aanvaarding van een onvoldoende zeker aanbod levert helemaal geen overeenkomst op.
1.2.5 Capaciteit (hoofdstuk 5)
Partijen moeten de juridische capaciteit hebben om zichzelf te binden. De wet legt beperkingen op aan minderjarigen, personen met een gebrek aan mentale capaciteit en dronken; het regelt ook de capaciteit van bedrijven en lichamen zonder rechtspersoonlijkheid. Een contract gesloten door een partij zonder bekwaamheid kan nietig, vernietigbaar zijn naar keuze van die partij, of alleen afdwingbaar zijn voor zover noodzakelijk.
3. Bronnen van het Engelse contractenrecht
Het Engelse contractenrecht is in principe een “common law-onderwerp”: de regels ervan zijn in de loop van meerdere eeuwen door de hogere rechtbanken van geval tot geval ontwikkeld. Vier bronnen** werken op elkaar in: gewoonterecht, gelijkheid, statuut en geassimileerd (behouden) EU-recht.
1.3.1 Gewoonterecht
De fundamentele doctrines van aanbod en aanvaarding, overweging, verkeerde voorstelling van zaken, de afstand tot schade en frustratie zijn gecreëerd door rechters. Deze doctrines blijven de ruggengraat van het onderwerp en worden naar analogie toegepast op moderne feitenpatronen. Elke belangrijke zaak die u in dit boek tegenkomt, is een common law-beslissing van de hogere rechtbanken, met het Hooggerechtshof (of, vóór 2009, het House of Lords) aan de top.
1.3.2 Eigen vermogen
Equity is een aanvulling op de common law waar de common law onrecht zou veroorzaken. Billijke doctrines die relevant zijn voor contracten zijn onder meer promesse-uitsluiting (Hoofdstuk 3), specifieke prestaties en bevelen (Hoofdstuk 11), ontbinding wegens verkeerde voorstelling van zaken of ongepaste beïnvloeding (Hoofdstuk 8), en rectificatie wegens fouten (Hoofdstuk 8). Billijke rechtsmiddelen zijn altijd discretionair.
1.3.3 Statuut
Het Parlement heeft selectief ingegrepen in het contractenrecht, vaak om zwakkere partijen te beschermen. De belangrijkste wetten die u moet kennen zijn: de Misrepresentation Act 1967; de Unfair Contract Terms Act 1977 (“UCTA”); de Sale of Goods Act 1979 ('SGA'); de Supply of Goods and Services Act 1982 ('SGSA'); de Law Reform (Frustrated Contracts) Act 1943 (“LR(FC)A”); de Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999; en de Consumer Rights Act 2015 (“CRA”). De CRA consolideert de bescherming van consumenten in één enkel statuut en vervangt voor business-to-consumer (B2C)-contracten** de SGA, SGSA en een groot deel van de UCTA.
1.3.4 Geassimileerd (behouden) EU-recht
Vóór het einde van de Brexit-overgangsperiode op 31 december 2020 vormden van de EU afgeleide consumentenrichtlijnen delen van het Engelse contractenrecht (met name wat nu de CRA 2015 is). Sinds die datum heeft de European Union (Withdrawal) Act 2018 (zoals gewijzigd door de Retained EU Law (Revocation and Reform) Act 2023) de EU-wetgeving van vóór de exit omgezet in 'geassimileerd recht'. Voor SQE1-doeleinden hoeven kandidaten de EU-wetgeving niet rechtstreeks te kennen; ze moeten eenvoudigweg erkennen dat de CRA 2015 en bepaalde andere wettelijke beschermingsmechanismen hun oorsprong vinden in EU-richtlijnen en van kracht blijven als nationaal recht.
{"headers": ["Bron", "Rol", "Voorbeelden"], "rijen": [["Gewoon recht", "Door de rechter opgestelde fundamentele doctrines, toegepast naar analogie", "Aanbod en aanvaarding; overweging; verkeerde voorstelling van zaken; afgelegen ligging; frustratie"], ["Equity", "Aanvulling op het gewoonterecht om onrecht te voorkomen; discretionaire rechtsmiddelen", "Beloofde uitsluiting; specifieke prestatie; rechterlijke bevelen; rectificatie"], ["Statuut", "Selectieve parlementaire interventie, vaak om zwakkere partijen te beschermen", "Misrepresentation Act 1977; ["Geassimileerd EU-recht", "Pre-exit EU-afgeleide wetgeving behouden als nationaal recht", "CRA 2015 (EU-richtlijnoorsprong); EU(W)A 2018; REUL Act 2023"]]}
4. Classificaties van contracten
Vier classificaties komen in het hele boek terug en moeten vanaf het begin in het geheugen worden vastgelegd: bilateraal versus unilateraal, uitgevoerd versus executoriaal, nietig / vernietigbaar / niet-afdwingbaar en consument versus B2B.
| Classificatie | Onderscheiding |
|---|---|
| Bilateraal versus eenzijdig | Bilateraal = wederzijdse uitwisseling van beloften; eenzijdig = een belofte voor een handeling, geaccepteerd door prestatie (Carlill v Carbolic Smoke Ball Co [1893] 1 QB 256).. |
| Uitgevoerd versus uitvoerend | Uitgevoerd = tegenprestatie reeds uitgevoerd door één partij; uitvoerbaar = uitgewisselde beloften moeten nog worden uitgevoerd aan beide kanten. |
| Ongeldig / vernietigbaar / niet-afdwingbaar | Ongeldig = nooit bestaan (veel voorkomende fout, onwettigheid); vernietigbaar = geldig tot herroeping (verkeerde voorstelling van zaken, dwang, ongepaste invloed, niet-afdwingbaar = geldig maar geen gerechtelijke actie (bijv. garantie niet schriftelijk, s.4 Statute of Frauds 1677). |
| Consument versus B2B | Consument = handelaar versus consument onder s.2 CRA 2015 → B2B = twee bedrijven → UCTA 1977, SGA 1979, SGSA 1982**. |
5. De levenscyclus van een contract
Elke vraag over contractenrecht die de SQE stelt, is in essentie een vraag over een van de vijf fasen. Het kunnen identificeren van het stadium is het halve werk. Als je eenmaal weet waar de feiten zich in de levenscyclus bevinden, vallen de toepasselijke regels vanzelf uiteen.
| Fase | Vraag gesteld | Hoofdstukken |
|---|---|---|
| 1. Vorming | Is er een bindend contract? | Hoofdstukken 2–5 |
| 2. Partijen en inhoud | Wie is gebonden en wat zijn de voorwaarden? | Hoofdstukken 6–7 |
| 3. Vitiation | Kan een partij ontsnappen het contract? | Hoofdstuk 8 |
| 4. Ontslag (Beëindiging) | Is het contract tot een einde gekomen? | Hoofdstuk 9 |
| 5. Wat kan de onschuldige partij herstellen**? | Hoofdstukken 10–12 |
Een goed opgesteld SQE1-probleem combineert vaak twee of drie fases – bijvoorbeeld een scenario waarin een partij een contract is aangegaan dat is veroorzaakt door een verkeerde voorstelling van zaken (belediging), vervolgens beweert te zijn beëindigd nadat zij de waarheid heeft vernomen (kwijtschelding), en nu een schadevergoeding eist voor verspilde uitgaven (rechtsmiddelen). Als je eenmaal weet waar de feiten zich in de levenscyclus bevinden, vallen de toepasselijke regels vanzelf uiteen.
6. De SQE1 FLK1-beoordeling
In dit gedeelte worden de format, vraagstijl en techniek voor de SQE1 FLK1-beoordeling beschreven, samen met praktische richtlijnen voor het gebruik van dit boek.
1.6.1 Formaat
FLK1 is een computergebaseerd examen van 180 meerkeuzevragen met één beste antwoord, in twee zittingen van elk 2 uur en 33 minuten (90 vragen per zitting). De beoordeling omvat vijf onderwerpen: Bedrijfsrecht en -praktijk; Geschillenbeslechting; Contractenrecht; onrechtmatige daad; en het rechtssysteem van Engeland en Wales (inclusief constitutioneel en administratief recht, juridische dienstverlening en de ethische component). Vragen over het contractenrecht kunnen gecombineerd worden met elk ander onderwerp. Een enkel scenario kan bijvoorbeeld een punt van contractvorming en een punt van onrechtmatige daad en nalatigheid opleveren.
1.6.2 Vraagstijl
Elke vraag heeft de vorm: (a) een kort scenario, (b) een rolindicator (vaak 'U treedt op voor...' of 'Een cliënt vraagt uw advies...'), en (c) een enkele vraag waarin wordt gevraagd welke EEN van de vijf opties correct is, het beste advies is, of BEST de juridische situatie beschrijft. De vijf opties (A–E) zijn altijd goede vervangers; de examinator test uw vermogen om onderscheid te maken tussen juridisch correcte en gedeeltelijk correcte antwoorden.
1.6.3 Techniek
1. Classificeer op basis van de levenscyclus (§1.5) voordat u de opties leest — is dit een vraag over formatie, partijen/inhoud, aantasting, ontslag of remedies?
2. Identificeer de status van de partijen (consument of bedrijf) en het relevante wettelijke regime (CRA 2015 voor consumenten; UCTA 1977 / SGA 1979 voor B2B).
3. Elimineer opties die juridisch onjuist zijn op enig onderdeel — een gedeeltelijk correct antwoord is fout. Als er twee opties overblijven, vraag dan welke het meest direct antwoord geeft op de gestelde vraag.
Hoe dit boek te gebruiken — Elk hoofdstuk begint met een vak SQE Beoordelingsadvies waarin het onderwerp wordt toegewezen aan de FLK1-syllabus, ontwikkelt de wet in genummerde secties met vakken Sleutelterm en SQE-examentip en sluit af met een tabel Belangrijke opmerkingen, vijf Revisieopmerkingen (vragen en antwoorden met modelantwoorden) en vijf Zelfbeoordelings-MCQ's met een gedetailleerde antwoordsleutel. Eén keer lezen om het te begrijpen; werk de revisienotities uit het hoofd; probeer de MCQ's onder getimede omstandigheden (90 seconden per vraag, waarbij een SQE-stimulatie van 1 minuut en 42 seconden wordt gesimuleerd); en bekijk de Key Notes-tabel opnieuw in de week vóór de beoordeling.
7. Belangrijkste opmerkingen (hoofdstuksamenvatting)
De volgende samenvattende tabel consolideert elk concept dat in dit hoofdstuk wordt onderzocht. Behandel het als een revisiechecklist — je zou elke rij uit je geheugen moeten kunnen definiëren en één voorbeeld of referentie moeten kunnen geven.
| Concept | Samenvatting | Referenties |
|---|---|---|
| Contract | Wettelijk afdwingbare overeenkomst; vereist aanbod & aanvaarding, tegenprestatie, intentie, zekerheid en bekwaamheid. | — |
| Eenvoudig contract v akte | Eenvoudig contract vereist overweging; beperking 6 jaar (s.5 LA 1980). Akte vereist geen tegenprestatie; beperking 12 jaar (s.8 LA 1980); uitgevoerd onder s.1 LP(MP)A 1989. | Limitation Act 1980 |
| Eenzijdig contract | Belofte ingewisseld voor een handeling; aanvaarding is niet nodig. | Carlill v Carbolic Smoke Ball Co [1893] 1 QB 256 |
| Uitgevoerd v executoriaal overweging | Uitgevoerd: reeds uitgevoerd. Uitvoerend: nog uit te voeren aan beide kanten. | — |
| Ongeldig / vernietigbaar / niet-afdwingbaar | Contract tussen een handelaar en een consument binnen s.2 CRA 2015; beheerst door CRA 2015. | Consumer Rights Act 2015 |
| B2B-contract | Contract tussen twee bedrijven; beheerst door SGA 1979, SGSA 1982 en UCTA 1977 (vrijstelling/oneerlijke voorwaarden). | UCTA 1977; 1982 |
| Geassimileerd EU-recht | Pre-exit EU-afgeleide wetgeving (bijv. EU-oorsprong van CRA 2015 Deel 2) behouden als nationaal recht. | EU(W)A 2018; REUL Act 2023 |
| FLK1-formaat | 180 MCQ's met één beste antwoord; 2 zittingen × 2 uur 33m; vijf onderwerpen. | SRA FLK1-specificatie |
8. Revisieopmerkingen
Werk elke gerichte revisieprompt hieronder door. Probeer eerst vanuit het geheugen te antwoorden - het modelantwoord hieronder legt het punt uit en waarom het belangrijk is voor de SQE1.
Q1. Definieer een contract en identificeer de vijf essentiële ingrediënten van een geldig eenvoudig contract.
Een contract is een wettelijk afdwingbare overeenkomst tussen twee of meer partijen, waarbij elke partij verplichtingen op zich neemt die de rechtbank zal afdwingen. De vijf essentiële ingrediënten zijn: (i) Aanbod en aanvaarding — een duidelijk voorstel waaraan de aanbieder bereid is zich te binden, dat onder dezelfde voorwaarden wordt aanvaard en aan de aanbieder wordt meegedeeld; (ii) Overweging — elke partij moet iets van waarde geven of beloven; het moet van de belofte afgaan, voldoende zijn (maar hoeft niet adequaat te zijn) en niet voorbij; (iii) Intentie om juridische relaties tot stand te brengen — verondersteld in commerciële overeenkomsten, verondersteld niet in binnenlandse/sociale overeenkomsten, elk weerlegbaar; (iv) Zekerheid — de overeenkomst moet voldoende zeker en volledig zijn (Wells v Devani [2019] UKSC 4); (v) Capaciteit — de partijen moeten de wettelijke macht hebben om zichzelf te binden (minderjarigen, geestelijk onvermogen, dronkenschap, bedrijven, lichamen zonder rechtspersoonlijkheid). Voor eenvoudige contracten is geen bijzondere formaliteit nodig; daden (die geen overweging behoeven) moeten voldoen aan s.1 LP(MP)A 1989.
Vraag 2. Onderscheid een eenvoudig contract van een akte: formaliteiten, gevolgen en verjaringstermijnen.
Een eenvoudige overeenkomst komt tot stand door aanbod, aanvaarding, overweging en intentie, zowel mondeling als schriftelijk. Een akte is een formeel geschreven instrument dat voldoet aan s.1 LP(MP)A 1989: het moet schriftelijk zijn, op het eerste gezicht duidelijk maken dat het bedoeld is als een akte, ondertekend zijn in aanwezigheid van een getuige die de handtekening bevestigt, en overhandigd zijn. Een akte is zonder tegenprestatie afdwingbaar; de formele uitvoering vervangt de afspraak. Praktische gevolgen: (1) een gratuite belofte is alleen afdwingbaar als deze wordt gedaan door middel van een akte (vandaar vrijwillige garanties, verbondsakten, schenkingen van land); (2) beperking verschilt — zes jaar voor een eenvoudig contract (s.5 LA 1980), twaalf jaar voor een akte/'specialiteit' (s.8 LA 1980); (3) bepaalde transacties moeten bij akte gebeuren — b.v. een overbrenging van een legaal landgoed in land (s.52 LPA 1925).
Q3. Leg uit (i) bilateraal v eenzijdig, (ii) uitgevoerd v executoriaal, (iii) nietig, vernietigbaar en niet-afdwingbaar.
(i) Bilateraal versus eenzijdig. Een bilateraal contract is een uitwisseling van wederzijdse beloften (bijna alle commerciële contracten). Een eenzijdig contract is een belofte voor een handeling, aanvaard door prestatie in plaats van een gecommuniceerde belofte — Carlill v Carbolic Smoke Ball Co [1893] 1 QB 256 (£ 100 voor iedereen die griep kreeg na het gebruik van de rookbal zoals voorgeschreven; geaccepteerd door de prestatie van mevrouw Carlill); mededeling van aanvaarding is niet vereist. (ii) Uitgevoerd v. executoriaal. De tegenprestatie wordt uitgevoerd indien deze al is uitgevoerd bij de oprichting (£ 5 betaald aan de balie voor een belofte van toekomstige levering); executoir waar het bestaat uit uitgewisselde beloften die nog moeten worden uitgevoerd (een contract van januari voor levering en betaling in maart). Het onderscheid is van belang voor overwegingen uit het verleden (hoofdstuk 3). (iii) Nietig, vernietigbaar, niet-afdwingbaar. Een nietig contract wordt behandeld alsof het nooit heeft bestaan – een veelgemaakte fout (Bell v Lever Brothers) of onwettigheid. Een vernietigbaar contract is geldig totdat de onschuldige partij opzegt – verkeerde voorstelling van zaken, dwang, ongepaste invloed, minderheid. Een niet-afdwingbaar contract is geldig, maar kan niet door middel van een actie worden afgedwongen, tenzij aan een formaliteit is voldaan — het klassieke voorbeeld is een garantie, niet-afdwingbaar tenzij schriftelijk bewezen onder s.4 van het Statuut van Fraude 1677.
Q4. Vat de vier belangrijkste bronnen van het Engelse contractenrecht samen met van elk een voorbeeld.
(i) Common law — fundamentele doctrines van de rechter: aanbod en aanvaarding (Adams v Lindsell (1818) — postregel), overweging (Currie v Misa (1875) — klassieke definitie), afgelegen ligging (Hadley v Baxendale (1854)), frustratie (Taylor v Caldwell (1863)). (ii) Equity — corrigerende doctrines die het common law aanvullen als de uitkomst ervan onrechtvaardig zou zijn: promissory estoppel (Central London Property Trust v High Trees House [1947] KB 130), specifieke prestaties, bevelen, ontbinding, rectificatie; allemaal discretionair en onderhevig aan eerlijke verdediging (laches, 'schone handen'). (iii) Statuut — selectieve interventie om zwakkere partijen te beschermen of te codificeren: Misrepresentation Act 1967 (s.2(1) schadevergoeding), UCTA 1977 (controle op redelijkheid van B2B-vrijstellingsclausules), SGA 1979 (impliciete voorwaarden in B2B-verkoop), LR(FC)A 1943 (herstel na frustratie), Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999 (priviteit), CRA 2015 (consumentenbescherming). (iv) Geassimileerd EU-recht — op grond van EU(W)A 2018 (zoals gewijzigd door de REUL Act 2023) blijft de van vóór de exit afkomstige EU-wetgeving van kracht; de CRA 2015 is het belangrijkste voorbeeld van het contractenrecht. Kandidaten hoeven deze achtergrond alleen maar te erkennen en worden niet rechtstreeks op het EU-recht getoetst.
Vraag 5. Beschrijf de structuur, timing en vraagstijl van FLK1, en hoe je een contractvraag aanpakt.
Structuur en timing. FLK1 is een computergebaseerd examen van 180 MCQ's met één beste antwoord in twee zittingen van 2 uur en 33 minuten (90 per zitting), met betrekking tot Bedrijfsrecht en praktijk; Geschillenbeslechting; Contractenrecht; onrechtmatige daad; en het rechtssysteem van Engeland en Wales. FLK1 en FLK2 testen samen functionerende juridische kennis; kandidaten moeten slagen voor beide, met SQE2, om in aanmerking te komen. Vraagstijl. Elke vraag geeft (a) een kort scenario, (b) een rolindicator en (c) een enkele leadline met het beste antwoord, gevolgd door vijf opties die dichtbij elkaar liggen (A–E); de examinator beloont de optie die een competente nieuw gekwalificeerde advocaat zou geven als eerstelijnsadvies. Aanpak (vier stappen). ① Indelen op basis van de levenscyclus (§1.5); ② de status van de partijen identificeren (consument → CRA 2015; bedrijf → UCTA 1977 / SGA 1979); ③ elimineer elke optie die op enig onderdeel onnauwkeurig is (gedeeltelijk correct is fout); ④ Als er nog twee overblijven, kies dan degene die beantwoordt aan de gestelde vraag. Pacing: ongeveer 1 minuut en 42 seconden per vraag.
9. MCQ-oefening - Vijf vragen in SQE-stijl
Elk van de volgende vijf vragen weerspiegelt de stijl, lengte en moeilijkheidsgraad van de SQE1 FLK1-vragen met het beste antwoord. Probeer ze allemaal gesloten boek, noteer uw antwoord en gebruik vervolgens de antwoordsleutel. De antwoordsleutel legt uit waarom elke optie juist of onjuist is - lees elke uitleg volledig.
A. De overeenkomst is afdwingbaar als een eenvoudig contract, omdat deze schriftelijk en ondertekend is.
B. De overeenkomst is als akte afdwingbaar omdat de vriend een bindende belofte wilde doen.
C. De overeenkomst is niet-afdwingbaar omdat deze niet wordt ondersteund door een tegenprestatie van de cliënt en niet is uitgevoerd als een akte onder s.1 van de Law of Property (Miscellaneous Provisions) Act 1989.
D. De overeenkomst is afdwingbaar omdat de rechtbank een overweging zal impliceren wanneer een schriftelijke overeenkomst duidelijk bedoeld is om rechtsbetrekkingen tot stand te brengen.
E. De overeenkomst is niet afdwingbaar omdat de Engelse wet geen enkele gratuite belofte erkent.
Answer & explanation
C is correct - een belofte om te betalen 'als erkenning voor jarenlange vriendschap' is een gratuite belofte: de vriend ontvangt er niets van waarde voor terug, dus het wordt niet ondersteund door een tegenprestatie en kan niet worden afgedwongen als een eenvoudig contract. Om als akte zonder tegenprestatie afdwingbaar te zijn, zou het moeten voldoen aan s.1 LP(MP)A 1989 – in het bijzonder moet het (i) op het eerste gezicht duidelijk maken dat het bedoeld is als een akte, (ii) worden ondertekend in aanwezigheid van een getuige die de handtekening bevestigt, en (iii) worden afgeleverd. Het document hier doet geen van beide.
A is onjuist: schrijven en handtekening maken niet af van de eis van overweging.
B is onjuist: een document zonder getuigen waarin niet staat dat het een akte is, voldoet niet aan s.1 LP(MP)A 1989.
D is onjuist: de rechtbanken 'impliceren' geen overweging als er niets van de belofte afwijkt.
E is onjuist: gratuite beloften kunnen worden afgedwongen, maar alleen als ze in de vorm van een daad worden uitgevoerd. (Zie paragrafen 1.1 en 1.2.2.)
A. De Wet Consumentenrechten 2015 is van toepassing omdat de koper een natuurlijk persoon is.
B. De Sale of Goods Act 1979 is van toepassing omdat de koper de stoelen heeft aangeschaft voor doeleinden die geheel of hoofdzakelijk verband houden met een ambacht, bedrijf of beroep.
C. De Supply of Goods and Services Act 1982 is van toepassing omdat de overeenkomst betrekking heeft op diensten geleverd vanaf een huisadres.
D. De Unfair Contract Terms Act 1977 is van toepassing omdat de koper een bedrijf is.
E. Er is geen wettelijk regime van toepassing; de voorwaarden van het contract worden uitsluitend bepaald door het gewoonterecht.
Answer & explanation
B heeft gelijk: de eenmanszaak koopt de stoelen “geheel of grotendeels” voor doeleinden die verband houden met haar bedrijf. Volgens s.2 CRA 2015 is een consument iemand die 'geheel of hoofdzakelijk' handelt buiten zijn of haar vak, ambacht, bedrijf of beroep, en valt dus buiten de CRA 2015. Het contract is een B2B-verkoop van goederen die valt onder de Sale of Goods Act 1979, inclusief de impliciete voorwaarden in ss.12–15**.
A is onjuist: de CRA 2015 hangt af van doel, niet van de vraag of de koper een natuurlijk persoon is.
C is onjuist: dit is een contract voor de verkoop van goederen, niet voor diensten, dus SGSA 1982 is niet van toepassing.
D is onjuist – UCTA 1977 reguleert vrijstellingsclausules in B2B-contracten, maar impliceert geen voorwaarden met betrekking tot kwaliteit; dat wordt gedaan door de SGA 1979.
E is onjuist – een wettelijk regime is wel van toepassing (SGA 1979). (Zie paragraaf 1.4.)
A. Totstandkoming van het contract.
B. Inhoud van het contract.
C. Nietigheid van het contract.
D. Ontbinding van het contract door frustratie.
E. Afgelegen ligging van de schade.
Answer & explanation
C is correct: een klant die een contract is aangegaan op basis van een valse verklaring van de andere partij, klaagt dat een anderszins geldig tot stand gekomen contract opzij moet worden gezet omdat de toestemming is verkregen door een onrechtmatige daad. Dat is een kwestie van beschuldiging: de relevante doctrine is verkeerde voorstelling van zaken (hoofdstuk 8), waarvan de remedies ontbinding en/of schadevergoeding zijn.
A is onjuist – het contract is niet gebrekkig in zijn formatie: aanbod, aanvaarding, tegenprestatie, intentie en zekerheid zijn allemaal aanwezig.
B is onjuist: de inhoud van het contract (wat de voorwaarden zeggen) is niet in de eerste plaats in het geding.
D is onjuist – frustratie heeft betrekking op een bestaande onmogelijkheid, en niet op een precontractuele onjuistheid.
E is onjuist: afgelegen afstand is een regel voor het kwantificeren van schade, niet een fase in de levenscyclus waarin een claim ontstaat. (Zie paragraaf 1.5.)
A. De garantie is ongeldig omdat mondelinge garanties geen juridisch effect hebben.
B. De garantie is naar keuze van de opdrachtgever vernietigbaar wegens het ontbreken van een schriftelijke verklaring.
C. De garantie is geldig en niet afdwingbaar door actie, omdat artikel 4 van het Statuut van Fraude 1677 vereist dat een garantie schriftelijk wordt bewezen en ondertekend door de garant of zijn bevoegde agent.
D. De garantie is bij akte afdwingbaar.
E. De garantie is onder alle omstandigheden afdwingbaar als een eenvoudige mondelinge overeenkomst.
Answer & explanation
C is correct — s.4 of the Statute of Frauds 1677 provides that no action may be brought on 'any special promise to answer for the debt, default or miscarriages of another person' unless the agreement, or some memorandum or note of it, is in writing and signed by the party to be charged or his authorised agent. Een mondelinge garantie is daarom geldig als contract, maar niet afdwingbaar door actie — het klassieke wettelijke voorbeeld van een 'niet-afdwingbaar' contract.
A is onjuist — de garantie is niet ongeldig; de overeenkomst bestaat.
B is onjuist: de vernietigbaarheid is een gevolg van belediging (bijvoorbeeld een verkeerde voorstelling van zaken), en niet van wettelijke vorm.
D is onjuist: de garantie is niet in akte bekrachtigd en voldoet niet aan s.1 LP(MP)A 1989.
E is onjuist – artikel 4 Fraudewet 1677 verbiedt uitdrukkelijk een actie op grond van een mondelinge garantie. (Zie paragraaf 1.4.)
A. De wet op de verkoop van goederen van 1979.
B. De wet op de levering van goederen en diensten van 1982.
C. De Unfair Contract Terms Act 1977.
D. De Consumentenrechtenwet 2015.
E. De Misrepresentation Act 1967.
Answer & explanation
D heeft gelijk: Deel 1 van de Consumer Rights Act 2015 is het enige statuut dat B2C-contracten regelt voor de levering van goederen (ss.9–17), digitale inhoud (ss.34–37) en diensten (ss.49–52). It provides a statutory remedies hierarchy — short-term right to reject (s.20, within 30 days), right to repair or replacement (s.23) and right to price reduction or final rejection (s.24) — together with implied terms (satisfactory quality, fitness for purpose, correspondence with description).
A is onjuist: de SGA 1979 is in de consumentenverkopen substantieel verdrongen door de CRA 2015.
B is onjuist: de SGSA 1982 regelt B2B-diensten, niet de verkoop aan consumenten.
C is onjuist: UCTA 1977 betreft vrijstellingsclausules en geen voorwaarden.
E is onjuist: de Misrepresentation Act 1967 heeft betrekking op precontractuele onjuistheden en niet op impliciete voorwaarden of rechtsmiddelen voor gebrekkige goederen. (Zie paragrafen 1.3.3 en 1.4.)