1. Invoering
De ELS is niet ontworpen; het is gegroeid. Gedurende meer dan negen eeuwen hebben vorsten, edelen, rechters, kerkleiders, het parlement en het publiek op hun beurt hun instellingen vormgegeven. Voordat we door die geschiedenis gaan (hoofdstuk 2), zet dit eerste hoofdstuk de fundamentele woordenschat uiteen die elke SQE1-kandidaat uit zijn hoofd moet beheersen.
U zult snel ontdekken dat het Engelse rechtssysteem uniek is. Een groot deel van de traditie is nog steeds zichtbaar in de pruiken en toga's van advocaten, in de formaliteit van de rechtbanken en in de manier waarop moderne statuten nog steeds in lange, voorwaardelijke straffen spreken. In de loop van de tijd moesten modernere ideeën – mensenrechten, decentralisatie, technologie – in het systeem worden opgenomen, en dat is niet altijd gemakkelijk geweest.
De SQE1 onderzoekt of kandidaten de wet kunnen toepassen op een cliëntscenario. Voordat u zich kunt aanmelden, moet u eerst classificeren. Een eiser die £8.000 aan een aannemer heeft verloren, heeft civiel advies nodig in contract of onrechtmatige daad; een persoon die wordt beschuldigd van het neersteken van een ander heeft strafrechtelijk advies nodig. In elk hoofdstuk dat volgt, wordt ervan uitgegaan dat je een probleem in het juiste vakje kunt plaatsen.
2. Wat is de wet?
Het recht is het systeem van afdwingbare regels waarmee de staat het gedrag op zijn grondgebied reguleert. Het verschilt van moraal, ethiek of sociale gewoonten, omdat de staat naleving via de rechtbank kan afdwingen.
Omdat we naar de wet kijken in de context van de ELS, zou je eerste vraag kunnen zijn: waarom noemen we dit niet het Britse rechtssysteem? In feite hebben de andere delen van het Verenigd Koninkrijk – Schotland en Noord-Ierland – hun eigen afzonderlijke rechtssystemen. Daar zijn historische redenen voor, die voortkomen uit het proces waarbij de vier naties zich gedurende honderden jaren verenigden in Groot-Brittannië. Voor de SQE1 wordt u alleen getoetst aan de wetgeving van Engeland en Wales.
(i) Wet versus moraal – beide reguleren gedrag, maar alleen de wet is afdwingbaar via de rechtbank. Moord is zowel immoreel als onwettig; een belofte breken om een vriend te bellen is immoreel maar niet onwettig.
(ii) VK versus ELS — Groot-Brittannië heeft drie rechtssystemen (Engeland en Wales, Schotland, Noord-Ierland). De SQE test alleen de ELS.
(iii) Common law versus civielrechtelijke familie — de ELS is een common law-rechtsgebied; Schotland en het grootste deel van continentaal Europa zijn civielrechtelijke jurisdicties.
3. Verschillende soorten wetten
Het recht kan op verschillende manieren worden geclassificeerd. Het begrijpen van deze classificaties is essentieel voor de SQE: bij beoordelingsvragen moet u vaak de juiste classificatie van een juridisch probleem identificeren op basis van een cliëntscenario.
1.3.1 Statuut versus jurisprudentie
De meeste wetten in de ELS zijn afkomstig uit twee belangrijke binnenlandse bronnen: statuutsrecht (wetgeving gemaakt door het parlement) en jurisprudentie (het geheel van rechtsbeginselen ontwikkeld door rechters in besliste zaken).
1.3.2 Strafrecht versus burgerlijk recht
Het strafrecht houdt zich bezig met misdrijven – verkeerde handelingen die, volgens het rechtssysteem, ernstig genoeg zijn om de samenleving als geheel te beïnvloeden. Wanneer een persoon een misdrijf pleegt, vervolgt de staat de verdachte, die bij veroordeling als “schuldig” wordt omschreven. De straf kan een boete, gemeenschapsbevel of gevangenisstraf** omvatten.
De meeste strafbare feiten zijn tegenwoordig vastgelegd in de wet, maar sommige vallen nog steeds uitsluitend onder het common law. Moord is bijvoorbeeld een overtreding van het gewoonterecht: de definitie ervan is afgeleid van de jurisprudentie en niet van welke wet dan ook.
Het burgerlijk recht omvat daarentegen al het recht dat niet strafrechtelijk is. Het geeft individuen en bedrijven rechten en plichten ten opzichte van elkaar: de plicht om geen schade te veroorzaken, contracten na te komen, eigendommen te respecteren, enzovoort. De eiser (niet de staat) spant de actie aan tegen de gedaagde. De rol van de rechtbank is niet om te straffen, maar om van de overtreder te eisen dat hij de zaken rechtzet — doorgaans door middel van een schadevergoeding (geldelijke compensatie) of door een gebod.
| Aspect | Strafrecht | Burgerlijk recht |
|---|---|---|
| Partijen | Staat (R / Crown) tegen gedaagde | Eiser tegen gedaagde |
| Bewijsnorm | Beyond redelijke twijfel | Saldo van waarschijnlijkheden |
| Uitkomst | Schuldig / niet schuldig | Aansprakelijk/niet aansprakelijk |
| Remedies | Boete, gevangenisstraf, gemeenschapsbevel | Schade, gerechtelijk bevel, specifieke prestatie |
| Doel | Straf overtreder; bescherm de samenleving | Eiser compenseren, positie herstellen |
| Voorbeeld | R v Smith (vervolging van diefstal) | Jones v Brown (claim wegens nalatigheid) |
Eén feitelijk incident kan aanleiding geven tot beide soorten procedures. Een dronken bestuurder die een voetganger verwondt, kan worden vervolgd bij de Magistrates' Court of Crown Court (strafrechtelijk) en afzonderlijk aangeklaagd bij de County Court of High Court (civiel). De civiele claim kan zelfs slagen als de strafrechtelijke vervolging mislukt, omdat de civiele norm lager is.
1.3.3 Publiekrecht versus privaatrecht
Publiekrecht betreft geschillen tussen de staat en individuen (of de uitoefening van staatsmacht). Het omvat grondwettelijk recht, bestuursrecht, strafrecht en mensenrechten. Gerechtelijke toetsingsprocedures – waarbij individuen besluiten van overheidsinstanties aanvechten – zijn een kernvoorbeeld van publiekrecht.
Privaatrecht betreft geschillen tussen particuliere partijen (individuen, bedrijven of organisaties) waarbij de staat geen partij is. Het omvat het contractenrecht, onrechtmatige daad, eigendomsrecht, trusts en familierecht.
| Aspect | Publiek recht | Privaatrecht |
|---|---|---|
| Partijen | Staat versus individu/officieel orgaan | Privé partij versus private partij |
| Subafdelingen | Constitutioneel, administratief, strafrechtelijk, mensenrechten | Contract, onrechtmatige daad, eigendom, trusts, familie |
| Voorbeeld | Judiciële toetsing (CPR deel 54, Administratief) Court) | Vordering wegens nalatigheid bij de County Court |
| Rechtbank / forum | Administratieve Rechtbank (KBD) | County Court / KBD / ChD |
| Termijn | Onmiddellijk, in ieder geval binnen 3 maanden | Over het algemeen 6 jaar in contract / onrechtmatige daad |
1.3.4 Materieel recht versus procesrecht
Het materiële recht definieert de juridische regels zelf: de rechten, plichten en verplichtingen die gedrag beheersen. Het strafbare feit moord wordt bijvoorbeeld gedefinieerd door het materiële recht: er moet sprake zijn van een onwettige moord met de bedoeling om te doden of om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken.
Procesrecht bepaalt hoe het materiële recht wordt toegepast en gehandhaafd. Het biedt het raamwerk van regels, bijvoorbeeld de bevoegdheden van de politie op het gebied van detentie op grond van de Police and Criminal Evidence Act 1984 ('PACE'), de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal, of de regels die bepalen hoe een proces wordt uitgevoerd op grond van de Criminal Procedure Rules ('CrimPR') of de Civil Procedure Rules ('CPR').
① Statuut v Jurisprudentie — twee binnenlandse bronnen; statuut prevaleert.
② Crimineel versus Civiel — staat versus gedaagde vs eiser versus gedaagde; zonder redelijke twijfel vs evenwicht van waarschijnlijkheden.
③ Publiek versus privé — staatsbetrokkenheid vs privégeschil; administratieve rechtbank vs gewone burgerlijke rechtbanken.
④ Materiaal versus procedureel — WAT de wet is vs HOE deze wordt toegepast.
4. Belangrijkste opmerkingen (hoofdstuksamenvatting)
De volgende samenvattende tabel consolideert elke term en regel die in dit hoofdstuk wordt onderzocht. Behandel het als een revisiechecklist — je zou elke rij uit je geheugen moeten kunnen definiëren en één voorbeeld moeten geven.
| Item | Concept | Cases / Referenties | |
|---|---|---|---|
| ELS | Wet van Engeland en Wales – niet Schotland, niet NI. Een common law-systeem waarin rechterlijke precedenten een belangrijke rol spelen naast wetgeving. | — | |
| Wat is de wet? | Systeem van regels die een land erkent als bindend voor degenen op zijn grondgebied, afdwingbaar via de rechtbank. | — | |
| Statuutwet | Gemaakt door het parlement — Acts of Parliament. Hoogste rechtsvorm in de ELS; prevaleert boven jurisprudentie in conflictsituaties. | Parliament Act 1949; Consumer Rights Act 2015 | |
| Case Law | Afgeleid van de juridische beginselen in rechterlijke beslissingen. Ook wel 'common law' of 'precedent' genoemd. | Donoghue v Stevenson [1932] AC 562; Rylands v Fletcher (1868) LR 3 HL 330 | |
| Strafrecht | De staat vervolgt. Standaard: buiten redelijke twijfel. | Theft Act 1968; plichten tussen particuliere partijen. Standaard: evenwicht tussen waarschijnlijkheden. | Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999 |
| Public Law | Geschillen tussen de staat en individuen - strafrecht, constitutioneel en administratief recht. | - | |
| Private Law | Geschillen tussen particuliere partijen - contract, onrechtmatige daad, eigendom, familierecht. | — | |
| Materiaal recht | Definieert wettelijke regels, rechten en plichten. | — | |
| Procesrecht | Reguleert hoe materieel recht wordt toegepast en gehandhaafd. | CPR; CrimPR; PACE 1984 |
5. MCQ-oefening - Vijf vragen in SQE-stijl
Elk van de volgende vijf vragen weerspiegelt de stijl, lengte en moeilijkheidsgraad van de SQE1 FLK1-vragen met het beste antwoord. Probeer elke vraag gesloten boek, noteer uw antwoord en gebruik vervolgens de antwoordsleutel. De antwoordsleutel legt uit waarom elke optie juist of onjuist is - lees elke uitleg volledig.
A. Een geheel van regels die mensen die in het land wonen, geacht worden vrijwillig te volgen en die hun morele gedrag sturen.
B. Een geheel van afdwingbare regels waarvan de staat erkent dat deze bindend zijn voor degenen op zijn grondgebied en die hij mensen kan dwingen zich eraan te houden.
C. Een reeks waarden, gebruiken en ethische principes die de burgers van het land geacht worden in acht te nemen.
D. De geschreven regels vervat in wetten van het parlement, waaraan iedere burger moet gehoorzamen.
E. De beslissingen van hoge rechters die mensen in het land in hun dagelijks leven moeten volgen.
Answer & explanation
B heeft gelijk: de wet is een geheel van afdwingbare regels die als bindend worden beschouwd voor degenen die zich binnen het grondgebied bevinden en die worden ondersteund door staatsdwang. Dat is wat de wet onderscheidt van moraal, ethiek of gewoonte.
A is onjuist: naleving van de wet is niet vrijwillig.
C is onjuist: waarden, gebruiken en ethische principes zijn geen wetten.
D is onjuist: de wet in de ELS is terug te vinden in zowel de statuten als de jurisprudentie, en niet alleen in de wetten van het parlement.
E is onjuist – de jurisprudentie is slechts een van de twee belangrijkste binnenlandse rechtsbronnen. (Zie paragraaf 1.2.)
A. Jurisprudentie is de hoogste rechtsvorm in de ELS en heeft voorrang op een wet.
B. Wettelijke besluiten en jurisprudentie hebben een gelijke status, en de rechtbank moet proberen deze met elkaar te verzoenen.
C. Een wet trekt automatisch alle inconsistente jurisprudentie in, zonder verdere actie van de rechtbank.
D. Het wetsrecht is de hoogste rechtsvorm in de ELS, en waar het statuut en de jurisprudentie conflicteren, prevaleert het statuut.
E. De jurisprudentie blijft bij voorrang van toepassing op een later inconsistent statuut, tenzij het statuut uitdrukkelijk naar het eerdere geval verwijst.
Answer & explanation
D is correct: het statuut is de hoogste rechtsvorm in de ELS; waar een statuut in strijd is met eerdere jurisprudentie, prevaleert het statuut (een aspect van parlementaire suprematie).
A is onjuist: jurisprudentie is niet de hoogste rechtsvorm.
B is onjuist – wet en jurisprudentie hebben niet dezelfde status.
C is onjuist: een wet trekt niet automatisch alle inconsistente jurisprudentie in abstracto in; de rechtbanken passen het statuut toe in daaropvolgende gevallen, waardoor de eerdere regel effectief wordt vervangen.
E keert de juiste hiërarchie om. (Zie paragrafen 1.3.1 en 1.4.)
A. Strafrecht, omdat de buurman eigendommen van iemand anders heeft beschadigd.
B. Publiekrecht, omdat het geschil gaat over grond- en eigendomsrechten.
C. Civiel recht, omdat het een geschil tussen private partijen betreft over schadevergoeding.
D. Procesrecht, omdat de huiseigenaar wil weten hoe hij een vordering moet instellen.
E. Constitutioneel recht, omdat eigendomsrechten worden beschermd onder het gewoonterecht.
Answer & explanation
C heeft gelijk: een geschil tussen twee particuliere partijen over schade aan eigendommen en compensatie is een civiele zaak (doorgaans een claim wegens overlast of nalatigheid).
A is onjuist: de staat vervolgt een misdrijf niet, dus het is niet crimineel.
B is onjuist: het publiekrecht heeft betrekking op de staat relatie met individuen, niet op burengeschillen.
D is onjuist: de classificatie van het geschil (civiel) is een kwestie van materieel recht; De procedure gaat over de wijze waarop de vordering wordt vervolgd, wat een secundaire vraag is.
E is onjuist – dit is een gewoon privégeschil, geen constitutionele kwestie. (Zie paragrafen 1.3.2 en 1.3.3.)
A. Materieel strafrecht, omdat de cliënt wordt verdacht van een strafbaar feit.
B. Civiel recht, omdat de cliënt juridisch advies inwint bij een advocaat.
C. Procesrecht, omdat de vraagstukken betrekking hebben op de regels volgens welke de gerechtelijke procedure wordt gevoerd.
D. Privaatrecht, omdat de advocaat een particuliere cliënt adviseert.
E. Publiekrecht, omdat de rechtbank een openbaar lichaam is.
Answer & explanation
C is correct – de regels die de toelating van bewijsmateriaal en het oproepen van getuigen regelen, zijn regels van het procesrecht (te vinden in de Criminal Procedure Rules, PACE 1984, en aanverwante autoriteiten).
A is onjuist: hoewel de onderliggende aanklacht betrekking heeft op het materiële strafrecht, heeft de specifieke vraag van de stagiair betrekking op de procedure.
B is onjuist: een strafrechtelijke aanklacht is geen civiele zaak.
D is onjuist: het onderscheid publiek/privaat is niet waar de vraag van de cursist over gaat.
E is onjuist: het feit dat de rechtbank een openbaar lichaam is, maakt de vraag niet tot een publiekrechtelijke kwestie. (Zie paragraaf 1.3.4.)
A. Het misdrijf moord bestaat feitelijk niet in de Engelse wetgeving, tenzij het Parlement wetgeving aanneemt die dit definieert.
B. Moord wordt gedefinieerd door het recht van de Europese Unie, dat nog steeds van toepassing is in Engeland en Wales.
C. Moord is een common law-delict: de definitie ervan is ontwikkeld en verfijnd in de jurisprudentie, die de rechtbanken blijven toepassen.
D. Het misdrijf moord kan alleen worden vervolgd als de verdachte ermee instemt dat de common law-definitie op zijn zaak van toepassing is.
E. Moord valt onder de Regels voor Strafvordering, waarin zowel de definitie van het strafbare feit als de procedure voor de vervolging ervan zijn vastgelegd.
Answer & explanation
C is correct – moord is een common law-misdrijf: de elementen ervan (het onwettig doden van een mens, met de bedoeling om te doden of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken – bevestigd in R v Cunningham [1982] AC 566) zijn door de rechtbanken ontwikkeld door middel van jurisprudentie en worden nog steeds toegepast.
A is onjuist: het misdrijf bestaat volgens het gewoonterecht zonder de noodzaak van een wettelijke definitie.
B is onjuist: moord valt niet onder het EU-recht.
D is onjuist: de toestemming van de gedaagde is niet relevant voor de vraag of de common law-definitie van toepassing is.
E is onjuist — de CrimPR zijn procedureregels; ze definiëren geen materiële overtredingen. (Zie paragraaf 1.3.2 en SQE-examentip.)