1. Wat is grondrecht? Kernprincipes
Landwet is het geheel van wettelijke regels dat het eigendom, gebruik en overdracht van belangen in grond regelt. Het bepaalt wie land bezit, welke rechten ze erover hebben, welke rechten anderen kunnen hebben over hun land, en hoe deze rechten worden gecreëerd, beschermd en gehandhaafd. Voor een praktiserend advocaat is het grondrecht van fundamenteel belang: bijna elke transactie waarbij onroerend goed betrokken is – een woningaankoop, een commerciële huurovereenkomst, een hypotheek of een ontwikkelingsproject – houdt zich bezig met grondbeginselen.
Het Engelse grondrecht berust op verschillende fundamentele principes die het onderscheiden van het persoonlijk eigendomsrecht en van het grondrecht in andere rechtsgebieden. De eerste hiervan is de standenleer.
De Law of Property Act 1925 (“LPA 1925”) is het hoeksteenstatuut van het moderne Engelse grondrecht. Het vereenvoudigde het systeem van vóór 1926 dramatisch door het aantal wettelijke nalatenschappen terug te brengen tot twee en het aantal wettelijke belangen tot vijf categorieën (s.1(2) LPA 1925). Alle andere belangen in land worden alleen in aandelen van kracht.
Een tweede fundamenteel principe is het onderscheid tussen juridische en billijke belangen. Juridische belangen 'binden de hele wereld' - ze zijn afdwingbaar tegen iedereen die vervolgens het land verwerft, ongeacht of die persoon op de hoogte was van de belangen. Billijke belangen kunnen daarentegen verslagen worden door een koper die de grond verwerft zonder kennisgeving van de rente (in niet-geregistreerde grond) of zonder dat de rente op de juiste manier beschermd is in het register (in geregistreerde grond).
Een derde kernprincipe is dat de grondwetgeving prioriteit geeft aan zekerheid en zekerheid van eigendom. Het systeem van landregistratie, geregeld door de Land Registration Act 2002 (“LRA 2002”) heeft tot doel een alomvattend en betrouwbaar eigendomsbewijs te creëren, zodat iedereen die met geregistreerd land te maken heeft, uit het register kan opmaken wie de eigenaar ervan is en welke belangen ermee belasten.
1.1.1 Onroerende goederen, persoonlijke eigendommen en de historische achtergrond
De Engelse wet classificeert onroerend goed in twee grote categorieën: 'onroerend goed' (realty) en 'persoonlijk eigendom' (personalty). Onroerend goed is historisch gezien de grond zelf en het eigendom; persoonlijke eigendommen zijn al het andere. Erfpachtrechten nemen een lastige middenpositie in: het zijn eigendomsbelangen in land, maar werden historisch gezien geclassificeerd als “echte bezittingen” omdat de common law-rechtsmiddelen die oorspronkelijk beschikbaar waren voor een onteigende huurder persoonlijke schadevorderingen waren in plaats van de echte acties waarmee een onteigende eigenaar het land zelf kon terugkrijgen. Het onderscheid is tegenwoordig vooral van belang voor het recht van testamenten en beheer van nalatenschappen**, waar de oude grens tussen onroerend goed en persoonlijkheid geleidelijk door de wet is opgeheven.
De twee grote bronnen van het Engelse recht – common law en equity – dragen beide bij aan het moderne grondrecht. Gemeenschappelijk recht is het geheel van regels ontwikkeld door de koninklijke hoven vanaf de middeleeuwen. Equity is het geheel van regels ontwikkeld door de Court of Chancery om de rigiditeit van het gewoonterecht aan te vullen en te corrigeren. De Judicature Acts 1873–1875 fuseerden het beheer van common law en billijkheid (zodat dezelfde rechtbank nu beide toepast), maar het onderliggende onderscheid tussen legale en billijke belangen blijft centraal staan in het moderne grondrecht. Een juridisch belang is afdwingbaar volgens het gewoonterecht; een billijk belang is alleen in billijkheid afdwingbaar en is daarom kwetsbaarder voor een nederlaag.
1.1.2 Wedstrijden en bezittingen
Section 205(1)(ix) LPA 1925 definieert 'land' en omvat ook gebouwen en delen van gebouwen, mijnen en mineralen, en elk belang in land. Volgens de regel quicquid plantatur solo, solo cedit ('wat aan de grond vastzit, wordt een deel van de grond'), worden objecten die voldoende aan het land zijn gehecht een deel van het land – het zijn armaturen. Inrichting pas bij de grond bij verkoop of hypotheek onder s.62 LPA 1925; bezit niet en moet uitdrukkelijk worden overgedragen.
De toonaangevende moderne test is de tweetrapstest, herhaald door het House of Lords in Elitestone Ltd v Morris [1997] 1 WLR 687, gebaseerd op het oordeel van Blackburn J in Holland v Hodgson (1872) LR 7 CP 328.
(1) Mate van annexatie. Hoe stevig is het item bevestigd? Een item dat door zijn eigen gewicht op het land rust is prima facie een roerend goed; een item fysiek bevestigd (bijvoorbeeld geschroefd, vastgeschroefd, gecementeerd) is prima facie een armatuur. Het vermoeden kan weerlegd worden.
(2) Doel van annexatie. Waarom is het item bijgevoegd? Als het werd vastgemaakt zodat het item beter als roerend goed kon worden gebruikt (bijvoorbeeld een wandtapijt dat aan de muur is genageld om het tentoon te stellen), blijft het een roerend goed; als het was bevestigd om het land permanent te verbeteren (bijvoorbeeld een geïntegreerde keuken), is het een armatuur. Moderne autoriteiten beschouwen de doeltest als doorslaggevend: Berkley v Poulett [1977] 1 EGLR 86. Het Hof van Beroep heeft de test toegepast op 109 items in een woonflat in Botham v TSB Bank plc (1997) 73 P & CR D1, waarbij werd geoordeeld dat ingebouwde keukenunits en badkameraccessoires armaturen waren.
1.1.3 De twee juridische goederen en de vijf juridische belangen
Sectie 1 LPA 1925 is de sluitsteen van het wetgevingsplan van 1925. Sectie 1(1) reduceerde het aantal juridische boedels tot twee: (a) de vergoeding enkelvoudig absoluut in bezit (het eigen bezit) en (b) de termijn van jaren absoluut (het erfpacht).
Sectie 1(2) somt vijf categorieën van wettelijke belangen op: (i) erfdienstbaarheden, rechten of privileges in of over land voor een belang gelijk aan een nalatenschap tegen vergoeding enkelvoudig absoluut in bezit of een termijn van jaren absoluut; (ii) huurlasten bij bezit dat uit land voortkomt; (iii) lasten bij wijze van wettelijke hypotheek; (iv) elke andere soortgelijke heffing op land dat niet door een instrument is gecreëerd; en (v) toegangsrechten gekoppeld aan een wettelijke termijn van jaren of een wettelijke huurprijs. Sectie 1(3) bepaalt dat alle andere bezittingen, rente en lasten in of over land van kracht worden als billijke belangen.
De betekenis van s.1 is diepgaand. De wet van vóór 1926 erkende veel juridische landgoederen (vergoedingsbedrag, levensvermogen, basisvergoeding, enz.) en een verbijsterende verscheidenheid aan juridische belangen. De wetgeving uit 1925 vereenvoudigde het raamwerk om de lasten op de overdracht te verminderen: een koper van een eigendom of erfpacht kon erop vertrouwen dat slechts een kleine en gedefinieerde lijst van juridische belangen hem “voor de hele wereld” kon binden, terwijl al het andere (opties, beperkende convenanten, boedelcontracten, levensbelangen onder trusts, economische belangen onder resulterende of constructieve trusts, enzovoort) van kracht werden in het eigen vermogen en zijn eigen beschermingsmechanismen vereisten.
2. Bronnen van het Engelse grondrecht
Het Engelse landrecht is gebaseerd op een rijke verzameling van statuten, jurisprudentie en rechtvaardige doctrine. De belangrijkste wettelijke bronnen die u in dit boek zult tegenkomen, worden hieronder uiteengezet.
1.2.1 De wet op het eigendomsrecht van 1925 (LPA 1925)
De LPA 1925 is de basis van het moderne grondrecht. De belangrijkste bepalingen zijn onder meer: s.1 (wettelijke boedels en belangen); s.2 (te ver gaan); s.27 (vereiste voor een akte); s.36 (ontbinding van gezamenlijke huurovereenkomsten); s.52 (vereiste voor overdracht bij akte); s.53 (formaliteiten voor billijke belangen); s.54(2) (uitzondering voor korte huurcontracten); s.62 (algemene woorden geïmpliceerd in transportmiddelen); s.78 (voordeel van convenanten die met het land verbonden zijn); s.101 (bevoegdheden hypotheekhouder); en s.146 (verbeuren van huurcontracten).
1.2.2 De Landregistratiewet 2002 (LRA 2002)
De LRA 2002 regelt het systeem van geregistreerd land in Engeland en Wales. Het verving de Land Registration Act 1925 en introduceerde een gemoderniseerd raamwerk voor landregistratie. De belangrijkste bepalingen zijn onder meer: s.4 (gebeurtenissen activeren voor eerste registratie); s.23 (bevoegdheden van de eigenaar); s.27 (registreerbare beschikkingen); s.29 (effect van registratie op prioriteit); ss.32–36 (kennisgevingen); s.40 (beperkingen); Sch 1 en Sch 3 (dringende belangen); en Sch 6 (negatief bezit).
1.2.3 De Trusts of Land en de benoeming van trustees Act 1996 (TLATA 1996)
TLATA 1996 regelt trusts van land, inclusief de impliciete trusts die ontstaan in situaties van mede-eigendom. De secties 14 en 15 zijn van bijzonder belang voor de SQE: zij bieden het mechanisme voor het oplossen van geschillen tussen mede-eigenaren over de bezetting en verkoop van grond in mede-eigendom.
1.2.4 Wet op het eigendomsrecht (diverse bepalingen) van 1989 (LP(MP)A 1989)
Sectie 1 beschrijft de moderne vereisten voor een geldige akte (ondertekend, bijgewoond, afgeleverd). Sectie 2 vereist dat contracten voor de verkoop of andere vervreemding van een belang in land schriftelijk zijn, ondertekend door beide partijen en alle voorwaarden bevatten.
1.2.5 De Landlord and Tenant (Convenants) Act 1995 (LTCA 1995)
De LTCA 1995 hervormde de regels voor het aangeven van erfpachtconvenanten voor huurcontracten die op of na 1 januari 1996 werden verleend (“nieuwe huurcontracten”). Volgens de wet van 1995 gaan alle convenanten (behalve persoonlijke convenanten) automatisch over op overdracht en wordt de vertrekkende huurder ontheven van aansprakelijkheid.
1.2.6 Recente ontwikkelingen op wetgevingsgebied
Twee belangrijke stukken recente wetgeving vallen binnen het SQE1-onderzoeksvenster (grenswaarde: 13 maart 2026).
De Renters' Rights Act 2025 kreeg koninklijke goedkeuring op 27 oktober 2025. Het schaft gegarandeerde shorthold-huurovereenkomsten (AST's) en 'buiten schuld' sectie 21-uitzettingen af onder de Woningwet van 1988, waardoor alle kortlopende woninghuurovereenkomsten worden omgezet in een enkelvoudig systeem van verzekerde periodieke huurovereenkomsten. De inhoudelijke bepalingen inzake de huurhervorming zijn in werking getreden bij wettelijk instrument; de belangrijkste bepalingen in hoofdstuk 1 van deel 1 (het einde van de AST's en sectie 21) werden van kracht op 1 mei 2026. Omdat de wet koninklijke instemming had gekregen op de afsluitdatum van SQE1, is deze in wettige vorm onderzocht voor de SQE1. We onderzoeken het in detail in Hoofdstukken 11 en 14.
De Leasehold and Freehold Reform Act 2024 kreeg koninklijke goedkeuring op 24 mei 2024. Sectie 27, waarin de kwalificatieperiode van twee jaar werd geschrapt voor claims op het gebied van erfpachtrecht en huurverlenging, werd van kracht op 31 januari 2025. Bepalingen met betrekking tot het recht op beheer (waarbij de niet-residentiële limiet wordt verhoogd van 25% naar 50%) zijn in werking getreden op 3 maart 2025.
3. Kaart van het onderwerp: hoe het grondrecht in elkaar past
De SRA FLK2-syllabus voor grondrecht is georganiseerd in vijf onderling verbonden gebieden. Begrijpen hoe deze gebieden zich tot elkaar verhouden is essentieel voor het aanpakken van SQE1-scenariovragen, waarbij u vaak gebruik moet maken van principes uit meer dan één gebied tegelijk.
| Gebied | Hoofdstukken | Wat het omvat |
|---|---|---|
| Aard van het land | Hoofdstukken 2–3 | De funderingen: wat telt als 'land', onroerend versus persoonlijk eigendom, de twee juridische landgoederen en vijf categorieën van juridische belangen, billijke belangen en de formaliteiten die nodig zijn om belangen in land te creëren en over te dragen. |
| Eigendomsrecht | Hoofdstukken 4–5 | Hoe eigendom wordt bewezen en hoe belangen van derden worden beschermd. Het geregistreerde systeem (LRA 2002) en het niet-geregistreerde systeem werken op fundamenteel verschillende principes; overleving, ontbinding en de oplossing van geschillen onder TLATA 1996. |
| Eigendomsrechten | Hoofdstukken 8–10 | De drie belangrijkste rechten van derden die land kunnen belasten: erfdienstbaarheden (doorgangsrechten, licht, etc.), eigendomsovereenkomsten (beloften tussen naburige landeigenaren) en hypotheken (veiligheidsbelangen). |
| Leaseovereenkomsten | Hoofdstukken 11–14 | De verhuurder-huurder-relatie: totstandkoming en kenmerken van huurovereenkomsten, lease versus licentie, erfpachtovereenkomsten en hun afdwingbaarheid, rechtsmiddelen bij inbreuk (inclusief verbeurdverklaring) en beëindiging. |
4. De SQE1 FLK2-beoordeling
In dit gedeelte worden de beoordelingsdoelstellingen, het formaat van het SQE1 FLK2-document en een systematische aanpak voor het aanpakken van vragen over landwetscenario's uitgelegd.
1.4.1 Beoordelingsdoelstellingen
De SRA vereist dat kandidaten de relevante juridische kernbeginselen en -regels op passende en effectieve wijze toepassen, op het niveau van een competente, nieuw gekwalificeerde advocaat in de praktijk, op realistische cliëntgebaseerde en ethische problemen en situaties op de volgende gebieden: (1) geregistreerd en niet-geregistreerd land; (2) landgoederen in eigendom en erfpacht, en juridische en billijke belangen in land; (3) verhuurder en huurder; en (4) mede-eigendom.
Kandidaten moeten aantonen dat zij in staat zijn om eerlijk en met integriteit te handelen en in overeenstemming met de SRA-normen en -voorschriften, de SRA-principes en de Gedragscode voor advocaten.
1.4.2 Format: Vragen met één beste antwoord
SQE1 FLK2 is een gesloten boek, computergebaseerde beoordeling die bestaat uit 180 enkele beste antwoordvragen (SBAQ's) voor alle FLK2-onderwerpen. Elke vraag presenteert een scenario, meestal vanuit het perspectief van een advocaat die een cliënt adviseert, gevolgd door een vraagstam en vijf antwoordopties (A – E). U moet het enige beste antwoord selecteren. Er is geen negatieve markering.
1.4.3 Hoe u FLK2-scenariovragen over grondrecht kunt benaderen
Wanneer u te maken krijgt met een SBAQ op het gebied van de grondwet, hanteer dan de volgende systematische aanpak.
Stap 1: Identificeer het type onroerend goed en de registratiestatus. Is het land geregistreerd of niet-geregistreerd? Is de rente eigendom of erfpacht? Deze bepaalt welk wettelijk kader van toepassing is.
Stap 2: Identificeer het juridische probleem. Wat is de vraag echt gesteld? Gaat het om het creëren van een belang, de bescherming ervan, de afdwingbaarheid ervan tegenover een derde partij, of een remedie voor schending?
Stap 3: Pas de relevante regel toe. Geef de wettelijke test of wettelijke bepaling aan, pas deze toe op de feiten en kom tot een conclusie.
Stap 4: Elimineer de verkeerde opties. Zelfs als u niet zeker bent van het juiste antwoord, kunt u vaak twee of drie opties elimineren die duidelijk fout zijn, waardoor uw kansen worden vergroot om het beste antwoord te selecteren.
5. De rol van een advocaat in het grondrecht
Het werk van een advocaat op het gebied van grondrecht omvat functies op het gebied van advies, transacties en geschillenbeslechting, allemaal ondersteund door compliance en beroepsethiek.
Adviserende rol: Advocaten adviseren cliënten over de verwerving, verkoop en beheer van belangen in grond. Dit omvat het uitleggen van de implicaties van verschillende vormen van eigendom (eigendom versus erfpacht, gezamenlijke huur versus gemeenschappelijke huur), het effect van rechten van derden (erfdienstbaarheden, convenanten, hypotheken) en de stappen die nodig zijn om de belangen van de klant te beschermen.
Transactionele rol: Advocaten beheren het overdrachtsproces: contracten voorbereiden, eigendomsonderzoeken uitvoeren, vragen stellen, overdrachten en huurovereenkomsten opstellen en ervoor zorgen dat alle belangen op de juiste manier worden geregistreerd. Ze treden ook op bij hypotheektransacties en treden waar nodig op voor zowel de kredietverstrekker als de kredietnemer.
Rol bij het oplossen van geschillen: Advocaten vertegenwoordigen cliënten in geschillen over grenzen, erfdienstbaarheden, convenanten, mede-eigendom en zaken tussen verhuurder en huurder. Dit kan betrekking hebben op onderhandeling, bemiddeling, tribunaalprocedures (bijvoorbeeld onder TLATA 1996 s.14), of gerechtelijke geschillen.
Compliance en ethiek: Advocaten moeten handelen in overeenstemming met de SRA-normen en -voorschriften, inclusief de plicht om integer te handelen (Principe 5), de plicht om in het beste belang van de cliënt te handelen (Principe 7), en de verplichting om belangenconflicten te identificeren en te beheren.
6. Hoe dit boek te gebruiken
Dit boek is onderverdeeld in zes eenheden en vijftien hoofdstukken, volgens de SRA FLK2-syllabus Landrecht. Elk hoofdstuk bevat de volgende onderdelen.
Inhoudelijke inhoud: Een duidelijke uiteenzetting van de juridische beginselen, ondersteund door wettelijke verwijzingen en jurisprudentie.
KEY TERM-vakken: Definities van essentiële terminologie gemarkeerd voor snelle referentie.
SQE-EXAMEN TIP-boxen: Praktische richtlijnen over hoe onderwerpen waarschijnlijk worden getest en veelvoorkomende valkuilen die u moet vermijden.
SQE BEOORDELING ADVIES vakken: Breder strategisch advies over examentechniek.
Tabel met belangrijke opmerkingen: Een gestructureerde samenvatting van de belangrijkste items, concepten en autoriteiten van het hoofdstuk.
Revisie-opmerkingen: Vijf brede vragen en antwoorden voor zelftesten.
MCQ-oefening: Vijf enkele vragen met het beste antwoord in de SQE1-stijl, met een gedetailleerde antwoordsleutel.
We raden u aan de hoofdstukken in volgorde door te werken, omdat latere hoofdstukken voortbouwen op eerder geïntroduceerde concepten. Nadat je alle hoofdstukken hebt afgerond, gebruik je Hoofdstuk 15 (Herziening en examenstrategie) om vragen over gemengde onderwerpen te oefenen en je begrip te consolideren.
7. Belangrijkste opmerkingen (hoofdstuksamenvatting)
De volgende samenvattende tabel consolideert de belangrijkste items, concepten en autoriteiten die in dit hoofdstuk zijn geïntroduceerd. Behandel het als een revisiechecklist — je zou elke rij uit je geheugen moeten kunnen definiëren en de relevante bepaling moeten kunnen citeren.
| Key Item | Concept | Cases / References |
|---|---|---|
| Land (definitie) | Inclusief gebouwen, inventaris, mijnen en mineralen, en onlichamelijke erfdienstbaarheden (bijv. erfdienstbaarheden) | s.205(1)(ix) LPA 1925 |
| Juridische nalatenschappen | Slechts twee: vergoeding eenvoudig absoluut in bezit (eigendom) en looptijd van jaren absoluut (erfpacht) | s.1(1) LPA 1925 |
| Juridische belangen | Vijf categorieën: erfdienstbaarheden, huurlasten, lasten door middel van wettelijke hypotheek, elke andere soortgelijke last op land die niet door een instrument is gecreëerd, en rechten van toegang | s.1(2) LPA 1925 |
| Equitable interest | Alle belangen die dat wel doen niet kwalificeren als legale landgoederen of juridische belangen worden van kracht alleen in aandelen | s.1(3) LPA 1925 |
| Geregistreerd land | Titel gegarandeerd door de staat; register bijgehouden door HM Land Registry | LRA 2002 |
| Niet-geregistreerd land | Titel bewezen door eigendomsbewijzen; kennisgeving** | LCA 1972; LPA 1925 |
| Mede-eigendom | Gezamenlijke huurovereenkomst (met overlevingspensioen) of gezamenlijke huurovereenkomst (met afzonderlijke aandelen) | LPA 1925 ss.1(6), 36 |
| TLATA 1996 | Governs trusts of land s.14 verzoeken bij de rechtbank; criteria | TLATA 1996 |
| Formaliteiten (contracten) | Contracten voor de verkoop/vervreemding van grond moeten schriftelijk zijn, ondertekend door beide partijen en alle voorwaarden bevatten | s.2 LP(MP)A 1989 |
| Formaliteiten (akten) | Akten moeten ondertekend, bijgewoond en afgeleverd | s.1 LP(MP)A 1989 |
| Renters' Rights Act 2025 | Schaft ASTs en s.21 uitzettingen zonder schuld af; alle huurovereenkomsten voor woningen worden periodiek | RRA 2025 |
| LFRA 2024 | Verwijdert 2-jarige kwalificatieperiode voor stemrecht (s.27); 50%** | LFRA 2024 |
8. Revisieopmerkingen
Vijf brede vragen en antwoorden voor zelftesten. Probeer ze allemaal uit uw hoofd voordat u de modelnota leest en controleer vervolgens of u de statutaire referenties en autoriteiten kunt reproduceren.
Vraag 1 Wat zijn de twee legale landgoederen in grond die door de Engelse wet worden erkend, en waar worden ze gedefinieerd?
Opmerking: De twee juridische boedels zijn de vergoeding enkelvoudig absoluut in bezit (eigendom) en de termijn van jaren absoluut (erfpacht). Ze worden gedefinieerd in sectie 1(1) van de Law of Property Act 1925. Alle andere boedels (zoals levensboedels of provisies) werden door de wetgeving van 1925 afgeschaft als legale boedels en kunnen nu alleen in aandelen bestaan.
Vraag 2 Wat is het fundamentele verschil tussen geregistreerd en niet-geregistreerd land?
Opmerking: In geregistreerd land wordt de eigendom bewezen door het register dat wordt bijgehouden door HM Land Registry; het register is doorslaggevend (onder voorbehoud van dringende belangen) en de Staat garandeert de juistheid ervan. In niet-geregistreerd land wordt de eigendom bewezen door een ononderbroken reeks van eigendomsbewijzen die minstens 15 jaar teruggaat tot een goede titel, en de belangen van derden worden beschermd door registratie als landrechten onder de Land Charges Act 1972 of door de equitable doctrine of notice.
Vraag 3 Waarom is het onderscheid tussen juridische en billijke belangen belangrijk?
Opmerking: Juridische belangen 'binden de hele wereld' — ze zijn afdwingbaar tegen elke volgende verkrijger van het land, ongeacht kennisgeving. Billijke belangen zijn fragieler: in niet-geregistreerd land kunnen ze zonder voorafgaande kennisgeving worden verslagen door een bonafide koper voor de waarde van het legale landgoed; in geregistreerd land moeten ze worden beschermd door inschrijving van een kennisgeving of beperking in het register, anders kunnen ze voorrang verliezen aan een geregistreerde beschikking voor waardevolle tegenprestatie (s.29 LRA 2002). De uitzondering hierop vormen de dwingende belangen, die bindend zijn ongeacht de registratie.
Vraag 4 Noem drie belangrijke wetten die een advocaat moet kennen voor SQE1 Landrecht.
Opmerking: De drie belangrijkste wetten zijn: (1) de Law of Property Act 1925, die het raamwerk vastlegt van wettelijke bezittingen en belangen, formaliteiten en belangrijke mechanismen zoals overbelasting en ontslag; (2) de Land Registration Act 2002, die het geregistreerde landsysteem regelt, inclusief registreerbare beschikkingen, mededelingen, beperkingen, dwingende belangen en nadelig bezit; en (3) de Trusts of Land and Appointment of Trustees Act 1996, die trusts of land regelt en het mechanisme biedt voor het oplossen van geschillen over mede-eigendom.
Vraag 5 Van welke recente wetgeving moeten kandidaten op de hoogte zijn voor het SQE1-examen?
Opmerking: Kandidaten moeten op de hoogte zijn van twee recente wetten: de Renters' Rights Act 2025 (Royal Assent 27 oktober 2025), die zekere shorthold-huurovereenkomsten afschaft en sectie 21 'buiten schuld'-uitzettingen, waarbij alle woninghuurovereenkomsten worden omgezet in periodieke huurovereenkomsten; en de Leasehold and Freehold Reform Act 2024 (Royal Assent 24 mei 2024), die de kwalificatieperiode van twee jaar heeft geschrapt voor claims voor stemrecht (s.27, van kracht op 31 januari 2025) en de niet-residentiële limiet voor claims voor het recht op beheer heeft verhoogd tot 50% (van kracht 3 maart 2025). Beide wetten vallen binnen de SQE1-grensdatum van 13 maart 2026.
9. MCQ-oefening - Vijf vragen in SQE-stijl
Elk van de volgende vijf vragen weerspiegelt de stijl, lengte en moeilijkheidsgraad van de SQE1 FLK2-vragen met het beste antwoord. Probeer elk gesloten boek, noteer uw antwoord en gebruik vervolgens de antwoordsleutel. De antwoordsleutel legt uit waarom elke optie juist of onjuist is - lees elke uitleg volledig.
A. Een vrije eigenaar is absoluut en permanent eigenaar van de grond, terwijl een erfpachter slechts toestemming heeft om de grond te bewonen.
B. Zowel eigendom als erfpacht zijn legale landgoederen op grond die wordt erkend door sectie 1(1) van de Law of Property Act 1925. Een eigendomsrecht is een vergoeding die eenvoudigweg absoluut is in bezit, terwijl een erfpacht een absolute termijn van jaren is.
C. Een erfpachter heeft een legaal landgoed, maar een erfpachter heeft slechts een billijk belang in de grond.
D. Een eigendomsrecht duurt eeuwig, terwijl een erfpachtrecht maximaal 99 jaar kan duren.
E. Eigendom en erfpacht zijn beide vormen van licentie om Kroongrond te bezetten.
Answer & explanation
B heeft gelijk: sectie 1(1) van de Law of Property Act 1925 definieert de twee legale landgoederen in land: de vergoeding enkelvoudig absoluut in bezit (eigendom) en de termijn van jaren absoluut (erfpacht).
A is onjuist – een vrije eigenaar is niet eigenaar van de grond 'absoluut'; zij bezitten een landgoed van de Kroon, en een erfpachter heeft een legaal landgoed, niet louter 'toestemming'.
C is onjuist: een erfpacht is een wettelijke nalatenschap, en niet slechts een billijk belang.
D is onjuist: er geldt geen maximale lengte voor een leaseovereenkomst.
E is onjuist: eigendom en erfpacht zijn erven, geen licenties. (Zie paragrafen 1.1 en 1.1.3.)
A. De erfdienstbaarheid kan niet bestaan omdat deze niet in het register staat.
B. De erfdienstbaarheid kan nog steeds afdwingbaar zijn tegen de koper als deze in aanmerking komt als een doorslaggevend belang op grond van Schedule 3 van de Land Registration Act 2002.
C. De erfdienstbaarheid vervalt automatisch omdat de buurman deze niet heeft geregistreerd.
D. De koper is gebonden aan de erfdienstbaarheid omdat alle rechtvaardige belangen de hele wereld binden.
E. De erfdienstbaarheid kan alleen worden afgedwongen als de buurman binnen 12 maanden na de aankoop een gerechtelijk bevel krijgt.
Answer & explanation
B heeft gelijk: ook al staat de erfdienstbaarheid niet in het register, kan deze nog steeds bindend zijn voor de koper als deze in aanmerking komt als een overheersend belang. Volgens Schedule 3, paragraaf 3 van de Land Registration Act 2002 heeft een wettelijke erfdienstbaarheid (niet uitdrukkelijk toegekend of gereserveerd voor geregistreerde grond) voorrang op een geregistreerde beschikking als aan een van de volgende punten is voldaan: (a) de koper had daadwerkelijke kennis van het recht; (b) het recht zou bij een redelijk zorgvuldige inspectie duidelijk zijn geweest; of (c) het recht is uitgeoefend binnen de periode van één jaar eindigend op de dag van de beschikking. Deze voorwaarden zijn disjunctief: er moet aan slechts één voorwaarde worden voldaan.
A is onjuist: niet alle belangen moeten in het register staan om afdwingbaar te zijn.
C is onjuist: het niet registreren maakt de erfdienstbaarheid niet ongeldig.
D is onjuist – rechtvaardige belangen binden de hele wereld niet automatisch in geregistreerd land; slechts een beperkte groep belangen heeft voorrang op grond van Schema 3.
E is onjuist: er geldt geen vereiste van een gerechtelijk bevel van twaalf maanden. (Zie paragraaf 1.1 en de LRA 2002.)
A. Het contract moet bij akte worden opgemaakt, door beide partijen ondertekend en bijgewoond.
B. Het contract moet schriftelijk zijn, alle overeengekomen voorwaarden bevatten en door of namens beide partijen worden ondertekend, in overeenstemming met sectie 2 van de Law of Property (Miscellaneous Provisions) Act 1989.
C. De overeenkomst kan mondeling worden opgemaakt, mits er minimaal twee getuigen aanwezig zijn.
D. Het contract mag alleen schriftelijk zijn en worden ondertekend door de verkoper, aangezien de handtekening van de koper niet vereist is.
E. Het contract moet worden geregistreerd bij HM Land Registry voordat het juridisch bindend wordt.
Answer & explanation
B heeft gelijk: sectie 2 van de Law of Property (Miscellaneous Provisions) Act 1989 vereist dat contracten voor de verkoop of andere beschikking van een belang in land schriftelijk zijn, alle uitdrukkelijk overeengekomen voorwaarden bevatten en ondertekend zijn door of namens elke partij.
A is onjuist: er is een akte vereist voor de overdracht (overdracht), niet het contract.
C is onjuist — mondelinge contracten voor grond zijn niet geldig onder s.2.
D is onjuist — beide partijen moeten ondertekenen.
E is onjuist — registratie bij HM Land Registry heeft betrekking op de overdracht, niet op het contract. (Zie paragraaf 1.2.4.)
A. De vorige eigenaar had het recht om het keukeneiland te verwijderen omdat alle keukenspullen roerende goederen zijn.
B. Het keukeneiland zal waarschijnlijk een vaste waarde zijn, omdat de mate van aanbouw (vastgeschroefd aan de vloer, aangesloten op elektriciteit en sanitair) en het doel van de aanbouw (permanente verbetering van het pand) beide wijzen op de status van vaste waarde. De vorige eigenaar had niet het recht om het te verwijderen.
C. Het keukeneiland is een bezit omdat het door de vorige eigenaar voor eigen plezier is geïnstalleerd.
D. De vorige eigenaar had het recht het keukeneiland te verwijderen omdat dit niet specifiek in de koopovereenkomst stond.
E. Het keukeneiland gaat bij oplevering automatisch over op de opdrachtgever, maar alleen als de opdrachtgever daarvoor een tegenprestatie heeft betaald.
Answer & explanation
B is correct – de klassieke tweetrapstest voor het onderscheiden van een meubelstuk van een roerend goed werd gesteld door Blackburn J in Holland v Hodgson (1872) LR 7 CP 328 en gemoderniseerd door het House of Lords in Elitestone Ltd v Morris [1997] 1 WLR 687: de rechtbank beschouwt (1) de mate van annexatie – hoe stevig het item is bevestigd – en (2) het doel van annexatie — of het nu werd toegevoegd vanwege zijn beter gebruik als roerend goed of als een permanente verbetering van het land. In Botham v TSB Bank plc (1997) 73 P & CR D1 heeft het Hof van Beroep de test toegepast op 109 items, waarbij werd geoordeeld dat items zoals inbouwkeukenmeubels armaturen waren. Hier was het keukeneiland vastgeschroefd aan de vloer en aangesloten op voorzieningen (hoge mate van annexatie) en was het een permanente verbetering (doel verwijst naar armatuur); het is dus een armatuur dat onder s.62 LPA 1925 aan de koper is overgedragen, en de vorige eigenaar had niet het recht om het te verwijderen.
A is onjuist: niet alle keukenartikelen zijn roerende goederen.
C is onjuist: in de doeltest wordt gevraagd of het item is bevestigd voor een beter gebruik van de grond, niet voor persoonlijk genot.
D is onjuist — armaturen gaan met het land mee, ongeacht uitdrukkelijke vermelding.
E is onjuist — armaturen worden automatisch doorgegeven zonder aanvullende overwegingen. (Zie paragraaf 1.1.2.)
A. De AST blijft ongewijzigd bestaan omdat deze werd verleend vóór de wet van 2025 in werking trad.
B. De AST wordt automatisch omgezet in een verzekerde periodieke huurovereenkomst op grond van de Wet van 2025, en de verhuurder kan niet langer gebruik maken van een 'buiten schuld'-uitzetting op grond van artikel 21 om het bezit terug te krijgen.
C. De verhuurder moet bij de rechter een verzoek indienen om de AST om te zetten naar een nieuwe huurvorm op grond van de Wet 2025.
D. De Wet 2025 is alleen van toepassing op huurovereenkomsten die na 1 mei 2026 zijn toegekend en heeft geen invloed op bestaande AST's.
E. De verhuurder kan nog twaalf maanden na inwerkingtreding van de wet gebruik blijven maken van artikel 21 'buiten schuld' uitzetting.
Answer & explanation
B heeft gelijk: de Renters' Rights Act 2025 schaft de verzekerde shorthold-huurovereenkomsten en de sectie 21 'buiten schuld'-uitzettingsroute af. Vanaf de inwerkingtreding van de inhoudelijke bepalingen (1 mei 2026) worden alle bestaande AST’s – inclusief de AST’s toegekend vóór de wet – automatisch omgezet in verzekerde periodieke huurcontracten onder een overgangsregeling. De verhuurder kan het bezit alleen terugkrijgen met behulp van de herziene gronden onder Schema 2 van de Woningwet van 1988 (zoals gewijzigd door de Wet van 2025), voorzien van een sectie 8 kennisgeving.
A is onjuist: de wet is (door zijn overgangsbepalingen) van toepassing op bestaande AST's, niet alleen op nieuwe huurovereenkomsten.
C is onjuist: de conversie gebeurt automatisch van rechtswege, niet op verzoek van de rechtbank.
D is onjuist: de wet is van toepassing op bestaande huurovereenkomsten, niet alleen op toekomstige huurovereenkomsten.
E is onjuist: er is geen overdracht over twaalf maanden van s.21 voor bestaande AST's. (Zie paragraaf 1.2.6.)