MCQ Practice — FLK1 · Hoofdstuk 1

English Legal System

1. Engels rechtssysteem – oefenvragen

Vraag 1
Het Britse Hooggerechtshof behandelt een beroep dat precies het punt aan de orde stelt dat door het House of Lords (toen nog het laatste hof van beroep) was beslist in een gerapporteerde uitspraak uit 1905. De huidige rechters van het Hooggerechtshof zijn van mening dat de beslissing uit 1905 mogelijk verkeerd gemotiveerd was en nu onrechtvaardige resultaten oplevert. Welke van de volgende uitspraken beschrijft correct het standpunt van het Hooggerechtshof met betrekking tot dat eerdere besluit van het House of Lords?
Het Hooggerechtshof is strikt gebonden aan het besluit van het House of Lords uit 1905 en kan daar niet van afwijken.
De Hoge Raad kan afwijken van het eerdere oordeel als dat juist lijkt.
Het Hooggerechtshof is alleen gebonden aan zijn eigen beslissingen, en niet aan die van het voormalige House of Lords.
Het Hooggerechtshof moet de zaak aan het parlement voorleggen in plaats van de wet zelf te wijzigen.
De Hoge Raad kan slechts met instemming van het hof van de uitspraak afwijken.

A. Het Hooggerechtshof is strikt gebonden aan het besluit van het House of Lords uit 1905 en kan daar niet van afwijken.

B. De Hoge Raad kan afwijken van de eerdere uitspraak als hij dat juist acht.

C. Het Hooggerechtshof is alleen gebonden aan zijn eigen beslissingen, en niet aan die van het voormalige House of Lords.

D. Het Hooggerechtshof moet de zaak aan het parlement voorleggen in plaats van de wet zelf te wijzigen.

E. De Hoge Raad kan slechts met instemming van het Hof van de uitspraak afwijken.

Answer & explanation
Antwoord: B.

Correct: B. Het Hooggerechtshof heeft de vrijheid geërfd die door het House of Lords is vastgelegd in de Practice Statement (Judicial Precedent) [1966] 1 WLR 1234, op grond waarvan de uiteindelijke rechtbank mag afwijken van haar eigen eerdere beslissingen 'wanneer het juist lijkt om dat te doen'. Deze macht is eveneens van toepassing op besluiten van het voorganger House of Lords en wordt spaarzaam uitgeoefend om de zekerheid te behouden. A heeft ongelijk: de uiteindelijke rechtbank is niet absoluut gebonden aan haar eerdere beslissingen na de Practice Statement uit 1966. C heeft het bij het verkeerde eind: het Hooggerechtshof behandelt eerdere beslissingen van het House of Lords alsof het zijn eigen beslissingen waren, en wordt dus niet zomaar genegeerd; het kan ervan afwijken. D heeft ongelijk: de rechtbank kan de common law zelf wijzigen via de precedentleer en hoeft de zaak niet aan het parlement voor te leggen. E heeft het mis: afwijken van het precedent is een zaak van de Hoge Raad alleen en behoeft geen instemming van het Hof, dat hoe dan ook gebonden is aan de Hoge Raad.
Vraag 2
Een rechtsvraag bereikt het Hooggerechtshof. Er zijn twee eerdere autoriteiten die in tegengestelde richtingen gaan: de ene is een beslissing uit 1935 van het House of Lords (de voorganger van het Hooggerechtshof als het laatste Britse hof van beroep), en de andere is een beslissing uit 1936 van de Judicial Committee van de Privy Council. Welke uitspraak beschrijft het precedentpositief dat het Hooggerechtshof moet innemen het meest nauwkeurig?

A. Het Hooggerechtshof is gebonden aan het besluit van het House of Lords uit 1935 en kan daar niet van afwijken.

B. Het Hooggerechtshof is gebonden aan het besluit van de Privy Council uit 1936, omdat dit de meest recente autoriteit is.

C. Het Hooggerechtshof kan het besluit van zijn voorganger uit 1935 volgen, ervan afwijken, en in plaats daarvan de overtuigende redenering van het besluit van de Privy Council uit 1936 overnemen.

D. Het Hooggerechtshof is alleen gebonden aan beslissingen die zijn genomen na oktober 2009, toen het het House of Lords verving.

E. Het Hooggerechtshof moet óf het besluit uit 1935 volgen, óf het conflict ter oplossing aan het Parlement voorleggen.

Answer & explanation
Antwoord: C.

Optie C is juist. Het Hooggerechtshof erft de vrijheid van het House of Lords op grond van de Practice Statement (Judicial Precedent) [1966] om af te wijken van zijn eigen (en die van zijn voorganger) eerdere beslissingen waar dit juist lijkt; het is daarom niet strikt gebonden aan het besluit van het House of Lords uit 1935. De besluiten van de Privy Council zijn niet bindend voor het Hooggerechtshof, maar hebben een sterke overtuigingskracht, zodat het Hof ervoor kan kiezen om in plaats daarvan het besluit uit 1936 te volgen. Alle drie de opties staan ​​er dus werkelijk voor open. Optie A is verkeerd omdat de Practice Statement uit 1966 de strikte zelfbinding van het Hof schrapte. Optie B is verkeerd omdat recentheid een besluit van de Privy Council niet bindend maakt; het blijft alleen maar overtuigend. Optie D is verkeerd omdat de vrijheid van het Hooggerechtshof zich uitstrekt tot de autoriteiten van het House of Lords waartoe vóór oktober 2009 is besloten en die het als zijn eigendom behandelt. Optie E is verkeerd omdat het oplossen van tegenstrijdige precedenten een rechterlijke functie is; er bestaat geen procedure om het conflict aan het Parlement voor te leggen.
Vraag 3
Een advocaat-stagiair analyseert een recent arrest van het Hof van Beroep om vast te stellen wat bindend is voor lagere rechtbanken. Welke van de volgende omschrijvingen beschrijft correct de ratio beslissendi van een zaak?

A. De feitelijke vaststellingen in de zaak, zodra de onbetwiste zaken zijn verwijderd.

B. Elk karakterbewijs met betrekking tot een partij waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd.

C. Opmerkingen die de rechter maakt over hypothetische situaties die niet voortkomen uit de feiten.

D. De juridische motivering die essentieel is voor de beslissing en die het bindende element van de uitspraak vormt.

E. Alle opmerkingen van de rechter in het vonnis, al dan niet noodzakelijk voor de uitkomst.

Answer & explanation
Antwoord: D.

De ratio beslissendi is de juridische redenering die nodig is voor (en de basis vormt voor) de beslissing van de rechtbank; het is het deel van het vonnis dat een bindend precedent schept voor lagere rechtbanken onder de doctrine van stare decisis. Optie D is juist. Opties A en B zijn verkeerd: feiten (inclusief elk karakter of ander bewijs) zijn niet de verhouding, die betrekking heeft op het rechtsbeginsel dat op die feiten wordt toegepast. Optie C beschrijft obiter dictum: opmerkingen over hypothetische of niet-essentiële punten zijn alleen overtuigend, niet bindend. Optie E is verkeerd: niet elke waarneming is de verhouding; uitspraken die niet noodzakelijk zijn voor de beslissing zijn obiter.
Vraag 4
Een rechter van de County Court beslist over een contractgeschil en oordeelt dat de enige direct relevante autoriteit een beslissing van het Hof van Beroep (Civil Division) is. De rechter vindt de redenering van het Hof persoonlijk niet overtuigend en denkt dat een andere regel eerlijker zou zijn. Er bestaat geen autoriteit van het Hooggerechtshof op dit punt. Hoe moet de rechter omgaan met de uitspraak van het hof?

A. De rechter kan weigeren deze te volgen omdat een County Court niet gebonden is aan de beroepsbevoegdheid.

B. De rechter kan weigeren deze te volgen, op voorwaarde dat hij redenen geeft waarom hij het er niet mee eens is.

C. De rechter is verplicht dit te volgen op grond van de leer van het bindende precedent (stare decisis).

D. De rechter kan het als louter overtuigend beschouwen, omdat het eerder een civiele dan een strafrechtelijke beslissing is.

E. De rechter moet de vraag aan de Hoge Raad voorleggen voordat hij over de zaak kan beslissen.

Answer & explanation
Antwoord: C.

Volgens de doctrine van stare decisis zijn rechtbanken gebonden aan de ratio beslissendi van de beslissingen van rechtbanken boven hen in de hiërarchie. Een County Court is gebonden aan de beslissingen van het Court of Appeal, ongeacht of de rechter de redenering overtuigend vindt, dus optie C is correct. Optie A is verkeerd omdat de County Court, als lagere rechtbank, stevig gebonden is aan het Court of Appeal. Optie B is verkeerd omdat een lagere rechtbank niet kan weigeren de bindende beroepsbevoegdheid te volgen door louter redenen voor het meningsverschil op te geven; zij mag kritiek uiten, maar moet toch de bindende ratio toepassen. Optie D is verkeerd omdat het onderscheid civiel/strafrecht geen invloed heeft op de vraag of een beslissing van het Hof van Beroep een lagere rechtbank bindt; beide divisies zijn bindend voor de onderstaande rechtbanken. Optie E is verkeerd omdat er geen bevoegdheid of vereiste is voor een County Court om een ​​binnenlandse precedentvraag naar het Hooggerechtshof te 'verwijzen'; alleen bepaalde verwijzingen (bijvoorbeeld historisch gezien naar het HvJ-EU) werkten op die manier, en dat mechanisme is na de Brexit niet langer van toepassing.
Vraag 5
Een wet bepaalt dat een bepaalde medische handeling 'wordt uitgevoerd door een geregistreerde arts'. Vooruitgang in de techniek betekent later dat goed opgeleide verpleegsters een deel van de procedure veilig kunnen uitvoeren onder de algemene leiding van een arts, ook al is de arts niet de hele tijd fysiek aanwezig. In geschillen over de vraag of de betrokkenheid van verpleegkundigen wettig is, is de meerderheid van de rechtbank van mening dat dit wettig is, op grond van de redenering dat het duidelijke doel van het Parlement bij het aannemen van de wet was om de onbevredigende en gevaarlijke toestand van de wet die vóór de wet bestond, op te heffen en de procedure veiliger en toegankelijker te maken.

Welke regel van wettelijke interpretatie heeft de meerderheid toegepast?

A. De gouden regel.

B. De letterlijke regel.

C. De kattenkwaadregel.

D. De ejusdem generis-regel.

E. De expressio unius-regel.

Answer & explanation
Antwoord: C.

De meerderheid keek verder dan de letterlijke woorden en keek naar het gebrek of 'onheil' in de vorige wet dat het Parlement wilde verhelpen, en interpreteerde de bepaling om die oplossing te bevorderen. Dit is de kattenkwaadregel (Heydon's Case), geïllustreerd door Royal College of Nursing v DHSS, dus C is correct. De letterlijke regel (B) zou de woorden hun gewone, gewone betekenis geven, ongeacht de uitkomst, en zou het tegenovergestelde resultaat hebben bevorderd. De gouden regel (A) past de letterlijke betekenis toe, tenzij deze een absurditeit voortbrengt, en wijzigt deze vervolgens net genoeg om die absurditeit te vermijden; De redenering van de meerderheid berust op het doel van het Parlement, en niet op het vermijden van absurditeit. De ejusdem generis-regel (D) interpreteert algemene woorden die volgen op een lijst met specifieke woorden als beperkt tot dezelfde klasse, wat hier niet aan de orde is. De expressio unius-regel (E) betekent dat het noemen van één ding impliciet andere zaken uitsluit, waar de meerderheid niet op vertrouwde; het wijst inderdaad de andere kant op.
Vraag 6
Een stagiair op de eerste plaats vergelijkt het personeel en de partijen die aanwezig zijn bij processen voor de burgerlijke en strafrechtbanken van Engeland en Wales. Welke van de volgende rollen komt voor tijdens de rechtszaak, zowel in civiele als in strafrechtelijke procedures?

A. Aanklager.

B. Eiser.

C. Eiser.

D. Beklaagde.

E. Een jury.

Answer & explanation
Antwoord: D.

D heeft gelijk: de 'verdachte' is de partij tegen wie zowel in civielrechtelijke als strafrechtelijke vervolging wordt geprocedeerd (in strafzaken wordt de gedaagde ook wel verdachte genoemd). A is verkeerd omdat een aanklager de staat alleen in strafrechtelijke procedures vertegenwoordigt en geen rol speelt in een civiel proces. B heeft ongelijk omdat er geen eiser is in de strafprocedure; de eiser is de partij die een civiele vordering indient. C heeft ongelijk omdat 'eiser' de voormalige Engelse term was voor de partij die een civiele claim indient, en vervangen door 'eiser' toen de Civil Procedure Rules 1998 in 1999 van kracht werden; de term wordt tegenwoordig in geen van beide rechtbanken gebruikt en zeker niet in strafzaken. E heeft ongelijk omdat jury's normaal zijn in strafzaken van het Crown Court, maar zeer zeldzaam zijn in moderne civiele processen (beperkt tot een paar categorieën) en geen routinematig kenmerk van beide zijn; de gedaagde is de rol die beide gemeen hebben.