1. Vertrouwensrecht begrijpen
De trust is een wezen van billijkheid. Hiermee kan het eigendom van onroerend goed worden verdeeld tussen de juridische eigenaar (de trustee), die het onroerend goed beheert, en de uiteindelijke eigenaar (de begunstigde), die van de waarde ervan geniet. Deze sectie definieert vertrouwen, identificeert de drie essentiële partijen en zet de belangrijkste classificaties van vertrouwen uiteen die elke SQE1-kandidaat moet kunnen herkennen in een klantscenario.
1.1.1 Definitie
In praktische termen wordt een trust gecreëerd wanneer een persoon (de settlor) activa overdraagt aan een andere persoon (de trustee) om deze te bewaren en beheren ten behoeve van een derde partij (de begunstigde). Het eigendom wordt daardoor gesplitst: de trustee wordt de wettelijke eigenaar met beheersbevoegdheden, terwijl de begunstigde de billijke rente houdt en recht heeft op het voordeel van het onroerend goed.
1.1.2 Soorten vertrouwen
Er zijn veel verschillende soorten vertrouwen. Het belangrijkste onderscheid is tussen expressieve en impliciete vertrouwensrelaties. Express trusts worden opzettelijk en uitdrukkelijk gecreëerd door een insteller. Impliciete trusts ontstaan door werking van de wet; de twee belangrijkste typen zijn resulterende en constructieve vertrouwensrelaties.
Er wordt nog een onderscheid gemaakt tussen een inter vivos trust en een testamentaire trust. Een inter vivos (of 'levenslange') trust wordt tot stand gebracht tijdens het leven van de insteller. Een testamentaire trust wordt bij testament gecreëerd en treedt in werking bij het overlijden van de kolonist.
1.1.2.1 Express-vertrouwensrelaties
Express trusts worden opzettelijk gecreëerd door de insteller, vaak in een schriftelijk document (bijvoorbeeld een trustakte of een testament). Ze kunnen worden geclassificeerd op basis van de aard van het economisch belang dat ze creëren: particulier of liefdadigheidsdoeleinden.
Vaste trust — de rente van elke begunstigde staat vast en wordt gedefinieerd door de insteller (bijvoorbeeld 'aan A voor het leven, de rest aan B'). De trustee heeft geen discretionaire bevoegdheid over wie profiteert of in welke aandelen.
Discretionair vertrouwen — de trustee krijgt een discretie over hoe (en soms of) het trustvermogen moet worden verdeeld onder een identificeerbare klasse van potentiële begunstigden (de 'objecten'). Geen enkel individueel object heeft een vast recht; ieder heeft slechts de hoop om er voordeel uit te halen, totdat de discretie wordt uitgeoefend.
Purpose trust — een trust die is opgezet om een doel uit te voeren in plaats van om bepaalde mensen te bevoordelen. Een particuliere (niet-liefdadigheids) trust zonder gedefinieerde begunstigden zal in het algemeen falen bij gebrek aan een begunstigde om deze af te dwingen, hoewel er beperkte erkende uitzonderingen zijn.
1.1.2.2 Impliciete vertrouwensrelaties
Wanneer de intentie van de insteller niet uitdrukkelijk wordt vermeld, maar een trust door de wet wordt verondersteld of opgelegd om een billijk resultaat te bereiken, wordt de trust beschreven als een impliciete trust. De twee belangrijkste vormen zijn resulterende en constructieve vertrouwensrelaties.
| Aspect | Resulterend vertrouwen | Constructief vertrouwen |
|---|---|---|
| Hoe het ontstaat | Van rechtswege (veronderstelde intentie / mislukking van een uitdrukkelijk vertrouwen) | Opgelegd door de rechtbank om gewetenloos gedrag te voorkomen |
| Waar de rente naartoe gaat | Resultaten gaan terug** naar de insteller/overdrager/nalatenschap | Aan de persoon van wie het geweten dit vereist voordeel |
| Typische trigger | Express vertrouwen faalt of put het economische belang niet uit vrijwillige overdracht of aankoop in de naam van iemand anders | Schending van fiduciaire plicht, fraude, ongepaste beïnvloeding of ander gewetenloos gedrag |
| Functie | Vul een leemte in uiteindelijk eigendom | Een billijke remedie/instelling die ongerechtvaardigde verrijking voorkomt |
| Categorie | Subtype | Belangrijkste kenmerk |
|---|---|---|
| Express | Privé — Vast | Winstbelangen gedefinieerd door de insteller; geen discretionaire bevoegdheid van de trustee |
| Express | Privé — Discretionair | De trustee kiest de verdeling over een klasse van objecten |
| Express | Privé — Doel | Voor een doel, niet personen; over het algemeen mislukt tenzij er een uitzondering van toepassing is |
| Express | Charitable | Geldig doel vertrouwen voor het algemeen nut (Charities Act 2011) |
| Implied | Resulterend | Geniaalbelang vloeit terug naar de insteller/nalatenschap |
| Implied | Constructief | Opgelegd door de rechtbank om gewetenloosheid te voorkomen gedrag |
| Door timing | Inter vivos / Testamentair | Gecreëerd tijdens het leven van de kolonist / door testament bij overlijden |
2. Historische ontwikkeling van het trustrecht
Het vertrouwen leek niet volledig gevormd. Het is gedurende vele eeuwen geëvolueerd vanuit het middeleeuwse 'gebruik', gevormd door de praktische behoeften van landeigenaren en door de tussenkomst van de rechtbanken van billijkheid. Een fundamenteel besef van deze geschiedenis helpt verklaren waarom het trustrecht er vandaag de dag uitziet.
Juridische evolutie. Door de eeuwen heen heeft het trustrecht zich ontwikkeld via zowel de common law (billijke) principes als de wettelijke bepalingen, waarbij het zich voortdurend aanpast aan veranderende sociale en economische omstandigheden.
| Bron | Betekenis |
|---|---|
| Statute of Uses 1535 | Problemen met eigendom en controle over land opgelost, waarbij wordt geprobeerd het gebruik te 'uitvoeren' door de wettelijke titel aan de begunstigde toe te kennen. |
| Trustee Act 1925 | Een fundamenteel modern statuut dat de bevoegdheden en plichten van trustees consolideert en moderniseert. |
| Trustee Act 2000 | Verdere gemoderniseerde bevoegdheden van trustees, waarbij (onder andere) de wettelijke zorgplicht en ruimere bevoegdheden voor investering en delegatie worden ingevoerd. |
3. Het belang van trustrecht in de moderne samenleving
Het vertrouwen is verre van een historisch curiosum, maar staat centraal in de moderne rechtspraktijk. Het ondersteunt de vermogensplanning van gezinnen, pensioenen, investeringsstructuren en liefdadigheidsgiften. In dit gedeelte wordt onderzocht waarom het vertrouwensrecht vandaag de dag belangrijk is.
4. Het SQE-examen en de beoordelingsdoelstellingen
Voordat u zich tot het materiële recht wendt, is het essentieel dat u begrijpt wat de SRA van u verwacht in het Trusts-element van SQE1 FLK2. In dit deel worden de officiële beoordelingsdoelstellingen beschreven en wordt beschreven hoe u zich het beste kunt voorbereiden.
1.4.1 Beoordelingsdoelstellingen (uit de SRA)
Van kandidaten wordt verwacht dat zij de relevante juridische kernbeginselen en -regels op passende en effectieve wijze toepassen, op het niveau van een competente, nieuw gekwalificeerde advocaat in de praktijk, op realistische cliëntgebaseerde en ethische problemen en situaties op de volgende gebieden van het trustrecht:
Expressieve en impliciete vertrouwensrelaties.
De fiduciaire relatie.
Plichten, bevoegdheden en aansprakelijkheid van de trustees.
Eerlijke rechtsmiddelen.
Kandidaten moeten ook aantonen dat zij in staat zijn om eerlijk en met integriteit te handelen en in overeenstemming met de SRA Statement of Solicitor Competence (SoSC), de SRA Principles en de Gedragscode.
1.4.2 Voorbereidingsstrategieën
Uitgebreide studie van de principes van het trustrecht en hun toepassing.
Oefen met casestudy's en toepassingsgebaseerde (één beste antwoord) vragen.
Vertrouwd maken met recente juridische ontwikkelingen en jurisprudentie in het trustrecht.
Trustrecht is een dynamisch en essentieel onderzoeksgebied, diep verankerd in zowel de historische traditie als de moderne rechtspraktijk. Het belang ervan voor vermogensbeheer, vermogensplanning en commerciële activiteiten maakt het tot een essentieel expertisegebied voor juridische professionals, vooral degenen die zich voorbereiden op de SQE. Het begrijpen van de principes, geschiedenis en huidige toepassingen is van fundamenteel belang voor elke beoefenaar in het veld.
5. MCQ-oefening - Vijf vragen in SQE-stijl
Elk van de volgende vijf vragen weerspiegelt de stijl, lengte en moeilijkheidsgraad van de SQE1 FLK2-vragen met het beste antwoord. Probeer elke vraag gesloten boek, noteer uw antwoord en gebruik vervolgens de antwoordsleutel. De antwoordsleutel legt uit waarom elke optie juist of onjuist is - lees elke uitleg volledig.
A. Een directe schenking van de aandelen aan de vriend, die de aandelen en eventuele inkomsten voor zichzelf mag houden.
B. Een contract waarbij de vriend, tegen vergoeding, ermee instemt de aandelen namens de cliënt te beheren.
C. Een fiduciaire relatie waarbij de vriend de juridische eigendom van de aandelen houdt ten behoeve van de kinderen, die het billijke belang hebben.
D. Een bureau waarbij de vriend de aandelen beheert als agent van de klant en alleen aan de klant verantwoording moet afleggen.
E. Een liefdadigheidsinstelling, omdat de regeling ten goede komt aan kinderen en daarom voor het algemeen belang is.
Answer & explanation
C is correct – een trust is een fiduciaire relatie waarin de trustee (de vriend) de wettelijke eigendom van eigendommen bezit ten behoeve van de begunstigden (de kinderen), die de billijke rente houden. Eigendom is verdeeld tussen juridische en billijke titel.
A is onjuist – de vriend neemt niet voordeel; dit is geen regelrecht geschenk.
B is onjuist: een trust vereist geen overweging en is geen contract.
D is onjuist: bij een trust is de trustee plichten verschuldigd aan de begunstigden, en niet alleen aan de cliënt als opdrachtgever; een trust verschilt van een agentschap.
E is onjuist: een geschenk voor de eigen kinderen van de kolonist komt ten goede aan herkenbare particulieren; het mist het algemene voordeel dat vereist is voor een liefdadigheidsinstelling. (Zie paragraaf 1.1.1.)
A. Een discretionaire trust, omdat de trustees beslissen wanneer elke neef zijn deel ontvangt.
B. Een vaste trust, omdat de economische belangen worden bepaald door de insteller en de trustees geen discretionaire bevoegdheid hebben over de aandelen.
C. Een charitatieve trust, omdat leden van de familie van de kolonist er baat bij hebben.
D. Een resulterend vertrouwen, omdat het eigendom kan terugkeren naar de insteller.
E. Een constructief vertrouwen, omdat het wordt opgelegd om gewetenloos gedrag te voorkomen.
Answer & explanation
B heeft gelijk: de economische belangen worden vastgesteld en gedefinieerd door de insteller (gelijke aandelen voor drie genoemde neven) en de trustees hebben geen discretionaire bevoegdheid over wie er profiteert of in welke verhoudingen. Dat is het kenmerk van een vast vertrouwen.
A is onjuist: een bevoegdheid om alleen eigendom toe te passen als elke neef 25 wordt, is geen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van recht; de aandelen zelf zijn vast, dus het is geen discretionair vertrouwen.
C is onjuist: het bevoordelen van genoemde familieleden is bedoeld voor identificeerbare particulieren, niet voor het publiek, dus het is niet liefdadig.
D is onjuist: de trust beschikt op geldige wijze over de belangen aan de neven, dus er ontstaat geen resulterend vertrouwen.
E is onjuist: dit is een uitdrukkelijk vertrouwen dat opzettelijk is gecreëerd, en niet een constructief vertrouwen dat door de rechtbank is opgelegd. (Zie sectie 1.1.2.1.)
A. Elke werknemer heeft een vast en onmiddellijk recht op een gelijk deel van het fonds.
B. Elke werknemer is beheerder van het fonds en heeft fiduciaire plichten tegenover de anderen.
C. Geen enkele werknemer heeft een vaste aanspraak; elk heeft slechts de hoop er voordeel uit te halen, tenzij en totdat de trustees hun discretionaire bevoegdheid in het voordeel van die werknemer uitoefenen.
D. De trust is nietig omdat een trust trustees nooit een discretionaire bevoegdheid kan geven over de verdeling.
E. Het fonds komt automatisch terug bij de insteller omdat de begunstigden onzeker zijn.
Answer & explanation
C heeft gelijk: dit is een discretionaire trust: de trustees kiezen hoe ze verdelen over een klasse van objecten, dus geen enkel individueel object heeft een vast belang. Iedereen heeft alleen maar de hoop er voordeel uit te halen, totdat de discretie in hun voordeel wordt uitgeoefend.
A is onjuist: er is geen vast recht onder een discretionair vertrouwen.
B is onjuist: de werknemers zijn de objecten (potentiële begunstigden), niet de trustees.
D is onjuist: trustees kunnen op geldige wijze een discretionaire bevoegdheid krijgen over de verdeling; discretionaire trusts zijn volkomen geldig.
E is onjuist - een duidelijk gedefinieerde klasse zoals 'werknemers en voormalige werknemers' is conceptueel zeker, dus het vertrouwen gaat niet automatisch terug naar de insteller. (Zie sectie 1.1.2.1.)
A. De curatoren kunnen het niet-bestemde belang ten gunste van zichzelf houden.
B. Het niet-afgestoten economische belang wordt aangehouden op een resulterende trust voor de insteller (of de nalatenschap van de insteller).
C. De niet-afgedekte rente gaat in elk geval automatisch als bona vacantia over op de Kroon.
D. De rechtbank zal een constructief vertrouwen opleggen om de insteller te straffen omdat hij er niet in is geslaagd over het gehele belang te beschikken.
E. De trust is volledig nietig en het eigendom moet als een regelrechte schenking worden teruggegeven aan de persoon die het heeft overgedragen.
Answer & explanation
B heeft gelijk: als een express trust er niet in slaagt het volledige economische belang uit te putten, vloeit het niet-bestemde belang terug naar de insteller (of de nalatenschap van de insteller) op een resulterende trust.
A is onjuist: trustees hebben alleen de juridische titel en mogen niet het economische belang voor zichzelf overnemen.
C is onjuist: de rente keert terug naar de settlor onder een resulterende trust; bona vacantia voor de Kroon komt slechts in beperkte omstandigheden voor, niet 'in alle gevallen'.
D is onjuist: een constructief vertrouwen reageert op gewetenloos gedrag en wordt niet gebruikt om een insteller te 'straffen'; het juiste mechanisme hier is een resulterend vertrouwen.
E is onjuist – het vertrouwen is niet geheel ongeldig; alleen de niet-afgedankte rente komt terug, en de afgestoten belangen blijven geldig. (Zie paragraaf 1.1.2.2.)
A. Uitdrukkelijke en impliciete vertrouwensrelaties.
B. De fiduciaire relatie.
C. Taken, bevoegdheden en aansprakelijkheid van trustees.
D. Kennis met betrekking tot buitenlandse activa, buitenlands recht en buitenlandse belastingen.
E. Billijke rechtsmiddelen.
Answer & explanation
D is het juiste antwoord. Van kandidaten wordt uitdrukkelijk NIET verwacht dat zij kennis aantonen met betrekking tot buitenlandse activa, buitenlands recht of buitenlandse belastingen, dus dit valt niet binnen de beoordelingsdoelstellingen.
A, B, C en E zijn onjuist als antwoorden omdat elk IS een van de door de SRA gestelde beoordelingsdoelstellingen voor trusts is: expressieve en impliciete trusts; de fiduciaire relatie; Plichten, bevoegdheden en aansprakelijkheid van trustees; en billijke rechtsmiddelen. (Zie paragraaf 1.4.1.)